Lijkenlucht

In Amsterdam, op de Nieuwezijds Voorburgwal vlak bij het Spui, bevindt zich een grote boekhandel. Het is geen gewone boekwinkel; het heet een ‘modern antiquariaat’, wat betekent dat de boeken er minder kosten dan in normale winkels.

Ik kom er graag, want ze hebben er veel en je vindt er altijd dingen waarnaar je niet op zoek was, maar toch moet ik steeds even slikken als ik een forse stapel uitgezochte boeken bij de kassa neerleg en een bedrag betaal waarvoor je in een restaurant geen fatsoenlijke maaltijd krijgt.
Helemaal achter in de winkel, aan de rechterkant, staat een grote kast met dichtbundels. Daar bevindt zich het werk van Dingeman Kuilman. Eén bundeltje met veertig gedichten, titel Sabel en Keel. Vroeger, toen het in de gewone boekhandels lag, kostte het 329,90. Ik mocht het voor 34,90 meenemen.
Van Dingeman Kuilman heb ik nog nooit gehoord. Ik zal de enige niet zijn. Achter op het boek staat een onscherp fotootje van een vriendelijke jongeman met een wat behoedzame blik, geboren in 1961. Voor zover ik weet is dit het enige boek dat van hem verschenen is, en daar is geen enkele goede reden voor. Zijn gedichten zijn prachtig, melancholiek zonder sentimenteel te zijn (ik weet haast niets wat moeilijker is dan dat), met vondsten die alleen deze dichter had kunnen bedenken. Elk gedicht heeft de pretentie die de enig geoorloofde is: een heel goed gedicht te zijn.
Sinds ik twee exemplaren van Sabel en Keel heb gekocht, ongeveer een half jaar geleden, is de stapel niet kleiner geworden. Ik kom nog steeds regelmatig in die winkel, want het lijkt wel of er steeds grotere schrijvers komen te liggen. John Fantes Wait Until Spring, Bandini ligt er (vertaald), en ook kocht ik er de eerste verhalenbundel van A.M. Homes, The Safety of Objects, nog voor ze de roman publiceerde waar ze nu beroemd om is. Er liggen werkelijk prachtige gebonden uitgaven van klassieke Russen (Gontsjarovs Oblomov, niet verkocht voor 339,30, nu voor 25 gulden minder; A Sportsman’s Notebook van Toergenjev is 27 gulden in waarde gedaald), gedrukt op papier zo glad als dure lakens, met leeslint en een extra beschermend omslag. Op tafels midden in de winkel liggen talloze foto- en plaatwerken, in stapels te groot om te overzien.
Het ligt daar maar.
Het moet er zijn, ik weet het. De boekhandels stromen over, de magazijnen barsten uit hun voegen, en als er per jaar minder dan veertig exemplaren van een boek verkocht worden, is het de opslagkosten niet meer waard.
De meeste boeken zijn de kosten van opslag al snel niet meer waard. Daarom zijn deze winkels er, en elk boek dat daar toch nog zijn weg naar een lezer vindt, is er een.
Maar de laatste tijd, als ik er binnenga, ruik ik ook de lijkenlucht. Niet die van dode schrijvers, maar van dode boeken. Boeken hebben geen gevoel en geen geheugen, maar schrijvers onthouden alles. Misschien dat Dingeman Kuilman ooit nog een beroemd dichter wordt, zoals hij zou moeten zijn, maar nooit zal hij die eerste bundel vergeten, die ‘voor een lagere prijs aan de boekhandel aangeboden’ werd, toen hij niet meer werd gekocht.
God behoede hen die naar de ramsj moeten.
DE GROTE ironie van dit dagboek van een egoïst blijkt als hij zich, in een van zijn woedebuien, rechtstreeks tot zijn lezers gaat wenden. 'Jullie zelfingenomen, hypocriete lezers! Jullie krijgen niets meer van mij. Alles wat jullie zeggen is voor mij ouwe koek en alle kritiek die jullie zullen lanceren ken ik nu al.’ Op dat moment blijkt er dus toch plaats in zijn wereld voor iemand anders dan hijzelf: voor lezers. Dat gaat geheel in tegen het principe van een dagboek, dat alleen bestemd is voor de ogen van de dagboekschrijver, en niemand anders. Maar natuurlijk heeft Barbellion altijd bedoeld dat zijn werk ook anderen onder ogen zou komen: als egoïst wil hij dat maar al te graag. Hij hunkert naar erkenning en instemming, naar de uitgestoken hand van zijn lezers. Niet omdat hij hen zo belangrijk vindt, maar omdat hij wilde dat ze zouden lezen, omdat wat hij deed al het andere in de schaduw stelde.