Monarchie - De werkelijke macht van de koning

Lijm voor het land

17 april 2013 - Juist het symbolische is politiek bij de Oranjes. Alle tradities die de inhuldigingen van Wilhelmina, Juliana en Beatrix tekenen, staan in dienst van die ene leugen: uiteindelijk zijn wij Nederlanders één grote familie.

Medium 18776343

‘Ons Neerland is een krachtig land

Al is z’n vorst een Vrouwe:

En wie ’t er ooit heeft aangerand

Die moest het bloedig rouwen.’

Luidkeels zingen veertienhonderd Haagse scholieren Wilhelmina toe. Het is najaar 1898. De kersverse koningin is zojuist teruggekeerd uit Amsterdam waar ze vier dagen van optochten, plechtigheden en wedstrijden duiven melken heeft meegemaakt, maar het feest is nog niet voorbij. Nederland beleeft dolle dagen. De viering van de komst van een koningin op de troon is massaal, bombastisch en intens nationalistisch. ‘Een feest van symbolen’, zo zullen de historici het later samenvatten.

Dat begint al met de aankomst van Wilhelmina in Amsterdam op 5 september. Ze wordt verwelkomd door, speciaal op hun betrouwbaarheid geselecteerde, clubs van arbeiders en militairen. En niet te vergeten de erewacht ‘Klein maar Dapper’. Het zijn knapen van tussen de tien en veertien jaar oud, ‘flink marcheerende als jongens van Jan de Witt’. In de bonte stoet rijdt ook een aantal Indische vorsten mee, die de nodige racistische beledigingen naar hun hoofd geslingerd krijgen. Verderop gaat Karel van der Heijden. Deze ‘koning eenoog’ is razend populair om zijn ‘voorbeeldelooze tuchtiging’ van Atjeh. Daarbij kwamen duizenden bewoners om het leven en werden honderden kampongs afgebrand.

Van der Heijden mag de volgende dag bij de officiële inhuldiging in de Nieuwe Kerk het rijkszwaard dragen – precies zoals een hoge militair dat op 30 april 2013 zal doen bij de inhuldiging van Willem-Alexander. Maar de meeste aandacht gaat uit naar de in het wit geklede Wilhelmina. ‘Ze nadert als een bruid die ter kerke gaat’, merkt een ooggetuige geroerd op. De katholieke voorman en priester Schaepman toont zich terugkijkend op dit moment nog poëtischer: ‘Doet Gij de Oranjezonne dagen/ In vredelicht en glorieschijn/ Gij, ons Oranjemaagdelijn’.

Is de monarchie uit de tijd? Een optelsom van gouden koets, overbelichte gezinsperikelen en koekhappen, weliswaar niet erg democratisch, maar politiek volstrekt machteloos? Als er een moment is waarop dat ceremoniële koningschap tot uiting komt, is het bij de inhuldiging van een nieuw staatshoofd. Maar schijn bedriegt. Juist bij die gelegenheden – Wilhelmina in 1898, Juliana in 1948 en Beatrix in 1980 – komt de cruciale rol die de Oranjes in Nederland spelen het duidelijkst naar voren. En wordt er iets zichtbaar van de macht die de monarchie wel degelijk bezit.

Terug naar de negentiende eeuw, die op zijn einde loopt. Op papier heeft het Nederlandse koningshuis al in 1898 weinig meer te zeggen. Daar hebben de grondwethervormingen van Thorbecke wel voor gezorgd. De dan nog dominante liberale elite heeft echter andere plannen voor het koningshuis. Ze zijn bang, de gegoede burgers. Het land wordt verscheurd door schoolstrijd, ruzies over het kiesrecht en niet te vergeten de ‘sociale kwestie’. In die roerige branding moet het vorstenhuis een baken van ‘gemeenschapszin en plichtsbesef’ worden, zoals de titel van het latere proefschrift van historicus Henk te Velde zal luiden. De Oranjes als nationalistisch noodverband in roerige tijden.

De jonge Wilhelmina is zo bezien de juiste persoon op het juiste moment. Met de dood van haar scandaleuze vader Willem III is acht jaar daarvoor een heuse pr-ramp van het toneel verdwenen. Moeder Emma en haar dochter Wilhelmina pakken het anders aan. Onder hun bewind maakt Frans als voertaal aan het hof plaats voor het Nederlands. Voorafgaand aan de troonsbestijging leggen de twee een heuse publiciteitstournee af door de provincies. Tegen de tijd dat Wilhelmina koningin wordt, heeft zelfs de katholieke De Tijd er vrede mee. Een ‘koning, in volle mannelijke kracht’ was weliswaar mooi geweest, maar een kniesoor die daarom maalt nu ‘het lieflijk schoon van jonkvrouwelijke jeugd, reinheid en bevalligheid zich met de majesteit der Kroon hebben verenigd’.

Haar geslacht blijkt juist een voordeel nu de monarchie een morele missie heeft. De feministe Johanna Naber roept Wilhelmina op voor te gaan in de strijd tegen het zedelijk verval, ‘de worsteling met zooveel, dat onze maatschappij bezoedelt, verontreinigt en het Nederlandsche volk (…) zooveel minder rijk en vruchtbaar maakt dan het zoude kunnen zijn’.

Wilhelmina speelt vol overgave de rol van de plichtsgetrouwe, moreel verheven moeder van een knus gezin: de Nederlandse natie. Het lijkt te werken. Neem de katholieken. Tot voor kort wekte deze bevolkingsgroep nog argwaan bij liberalen en protestanten. Hoe konden mensen trouw zijn aan het vaderland, als ze gehoorzaamden aan Rome? Niet zelden werden nationale feesten ontsierd door knokpartijen tussen katholieken en protestanten.

Nu is van onenigheid niets te merken. ‘Wat de verjaardagen zijn in een gezin, waar onderlinge genegenheid heerscht, zijn de Oranjefeesten voor het Nederlandsche volk’, schrijft De Tijd. ‘Engeland had zijn stoere Britannia met speer en schild, een verenigd Duitsland zijn struise Germania’, heeft Wilhelmina-biograaf Cees Fasseur dan ook geconcludeerd. ‘Nederland moest het van oudsher doen met een kloeke doch naamloze vrouw, de Nederlandse maagd. In 1898 kreeg zij een gezicht en een naam: Wilhelmina.’

Die kloeke maagd doet méér dan de boel bij elkaar houden. Het Oranje-nationalisme blijkt politiek allerminst neutraal. Het ademt de geest van het nationalisme van de liberale bovenlaag. Eén onderdeel daarvan is een herschrijving van de geschiedenis. Negentiende-eeuwse historici moffelen conflicten weg ter wille van een nieuw verhaal, over saamhorigheid en opoffering binnen een verzonnen natie. Geheel in die trant worden Rembrandt en Vondel tot nationale genieën gebombardeerd. Dat blijkt nog niet zo eenvoudig. Vondel was de zoon van een kousenkoopman uit Keulen, een katholieke nog wel. En Rembrandt ligt moeilijk vanwege zijn losbandige leven en omgang met de lagere sociale milieus.

Ook rond de inhuldiging van Wilhelmina is er ruime aandacht voor het ‘roemrijke’ verleden. Tijdens een historische optocht trekt de hele nationalistische canon voorbij: van De Ruyter en Piet Hein tot Jan Pieterszoon Coen. Het officiële gedenkboek vermeldt ook de aanwezigheid van ‘negers en roodhuiden, vertegenwoordigende Brazilië, een wingewest van Nederland’. Verderop loopt nog een stoet vreemdelingen, ‘waaronder een Arabier met een kameel’.

Het liberale nationalisme, en daarmee ook het koningshuis, staat in dienst van een burgerlijk verlangen naar maatschappelijke rust, harmonie en stabiliteit. Helaas denken grote delen van de bevolking daar anders over. Om hen op andere gedachten te brengen, woedt er een beschavingsoffensief. Dat is ook in 1898 zichtbaar. De Amsterdamse feestelijkheden zijn mede georganiseerd door de ‘Vereeniging tot Veredeling van het Volksvermaak’.

Een heuse ‘Vereeniging tot Verbetering van den Volkszang’ doet er daarnaast alles aan om de kwaliteit van de gezongen liedjes te waarborgen. Geen schunnigheden dus. Voorafgaande aan de viering worden daarom 120.000 exemplaren van de bundel Kroningsliederen verspreid. Het mag niet baten. De antirevolutionaire Standaard klaagt achteraf over het ‘meer dan treurige’ volksgezang. Dat het niet meevalt om de bevolking in het nationale keurslijf te persen, blijkt ook uit de gang van zaken rond de ‘Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid’. De vrouwenbeweging heeft die ter gelegenheid van de troonsbestijging van Wilhelmina georganiseerd. Onderdeel van de tentoonstelling is een kampong waar het publiek ‘echte’ Javaanse mannen en vrouwen kan zien werken, muziek maken en dansen. Maar het beeld van Nederlandse eensgezindheid wordt ruw verstoord. Een groep fabrieksvrouwen, ook van de partij op de tentoonstelling, is ontevreden met de beroerde arbeidsomstandigheden. Ze gaan in staking.

De sociale onvrede is de grootste bedreiging voor de liberale status-quo. De politiek-symbolische macht van de monarchie keert zich dan ook het felst tegen ‘het rode gevaar’. Niet voor niets is de traditie van een jaarlijkse Koninginnedag ontstaan naar aanleiding van het Palingoproer in 1887. Uit de schrikreactie van de liberale burgerij hierop werd het initiatief geboren om een monarchistisch feest te organiseren. Immers, in de woorden van Henk te Velde: ‘Wie voor Oranje juichte, kon Domela Nieuwenhuis niet steunen.’

De gespannen verhoudingen tussen ‘rood’ en ‘oranje’ zijn ook tijdens de inhuldiging van Wilhelmina voelbaar. De Kamerleden van de sdap laten verstek gaan. De socialisten noemen de kroning ‘een feit zonder betekenis’. Ze roepen ‘alle bewuste arbeiders in den lande op haar voorbeeld in deze te volgen’ en zich verre te houden van het feestgedruis. Nog strijdbaarder is de anarchistische Socialistenbond: ‘Al waren er ook honderdduizend oranjeklanten, die het ons verhinderen willen… wij zullen toonen te strijden tegen troon, beurs en altaar.’

De collega’s van Recht voor allen slaan een ludiekere toon aan. Het blad drijft de spot met het verzoek van de koningin aan de feestvierders om, ter wille van haar nachtrust, ’s avonds en ’s nachts stilte te betrachten rond het koninklijk paleis. ‘Eerst heeft men de menschen opgewarmd en half dol gemaakt en als zij zich dan feestelijk uiten, krijgt men den egoïstischen wensch om overal lawaai en rumoer te maken behalve in den omtrek van het ledikant van hare majesteit. (…) De koningin, dat buitengewone wezen moet slapen! Vooruit dus, heeren lolmakers, naar andere buurten, daar woont het schorum en die moogt gij met uw misselijk geblèr wel uit den slaap houden.’

Maar hoe hard ‘links’ ook tegensputtert, het feestvierende volk heeft er geen boodschap aan. Hoewel grootschalige rellen uitblijven, worden sommige mensen die weigeren oranje te dragen of te ‘vlaggen’ lastiggevallen. Een sdap’er treft zijn deuren en ramen oranje geverfd aan. Elders is de menigte creatiever. ‘Nieuwenhuis moet zakjes plakken, hi, ha, ho’, zingen ze, zinspelend op socialistenleider Domela die in de gevangenis moest voor majesteitsschennis. De reeds genoemde Vereeniging tot Verbetering van den Volkszang zou er de neus voor ophalen, maar De Tijd aanschouwt dergelijke tafereeltjes met groot genoegen. Het Oranjegevoel van de mensen laat volgens de krant zien ‘hoe weinig geschikt hier de bodem is voor het onkruid, waarvan zij (de socialisten – kh) de zaden sedert reeds zooveel jaren met kwistige hand hebben rondgestrooid’.

Het beeld van de monarchie als een reactionair, antisocialistisch bolwerk is nooit meer helemaal verdwenen. Toch lijken de naoorlogse inhuldigingen dat op het eerste gezicht te ontkrachten. Of het nou sociaal-democraten, feministen of communisten waren, toen Juliana haar moeder in 1948 opvolgde als koningin waren nagenoeg alle dissidente geluiden in de samenleving bekeerd tot het Oranje-nationalisme. Tijdens de plechtigheid in de Nieuwe Kerk ontbraken weliswaar vier communistische parlementariërs, maar dat heette slechts om persoonlijke redenen te zijn. Partijleider Paul de Groot probeerde in die periode de partijbijeenkomsten van de cpn zelfs op te luisteren met het zingen van het Wilhelmus, in plaats van de Internationale.

Tekenend voor de verhoudingen in 1948 is het groots opgezette stadionspektakel dat Juliana wordt aangeboden: In Neerlands Tuin. Regisseur is Carel Briels, ‘de Napoleon van het massaspel’. De nieuwe koningin ziet Friese vrouwen met kanten mutsen, kaasdragers uit Alkmaar en Scheveninger vissers. Allemaal hebben ze hun plaats in de harmonieuze tuin van het vaderland. Maar ook Troelstra en Domela Nieuwenhuis zijn van de partij. Een luide stem dreunt de namen op van deze gestorvenen ‘die Nederland hebben groot gemaakt in deze vijftig jaren’. Wie had dat kunnen denken: een halve eeuw na de antisocialistische inhuldiging van Wilhelmina worden de twee linkse iconen van weleer geprezen tijdens een Oranje-feest.

Zo is er wel meer veranderd. Ook deze inhuldiging staat bol van het nationalisme, maar daarbij hoeft niet langer verwezen te worden naar een ver verleden. De heldendaden van Michiel de Ruyter en de Gouden Eeuw hebben als nationale ijkpunten plaatsgemaakt voor het veel versere trauma van de Duitse bezetting. Ook de stijl is anders. Tevreden hoort Wilhelmina haar dochter spreken bij de troonsbestijging. ‘In ieder geval een geheel nieuwe toonzetting, dus heelemaal “vernieuwd”, bravo’, schrijft ze haar achteraf in een brief. ‘Niet alleen de toonzetting maar ook, en dat zal steeds meer tot de menschen doordringen en een warm gevoel geven: je intieme zelf.’

En toch. Ondanks alle in het oog springende veranderingen is de kern van het Oranje-nationalisme onaangetast. Het begint al met de tijdgeest. Die is net als in 1898 extreem somber gestemd. Bijna één op de drie Nederlanders wil emigreren, blijkt uit de kort na de oorlog begonnen enquêtes van het Nipo. Maar liefst 71 procent verwacht een Derde Wereldoorlog. Het officiële gedenkboek vat de gemoedstoestand samen als ‘ontbinding en verwarring’. ‘Alles is op drift. Niets is meer zeker, vanzelfsprekend.’

Opnieuw gaat het over waarden en normen. In de chaotische periode direct na de bevrijding is het gezag van de autoriteiten beperkt geweest. Het bedrijfsleven wordt geteisterd door een stakingsgolf, Nederlandse vrouwen doen het met buitenlandse soldaten en ook de jeugd weet zich even los te maken uit de beklemmende moraal. Dat laatste vormt de aanleiding voor het grootste sociaal-wetenschappelijke onderzoek dat tot dan toe heeft plaatsgevonden in Nederland. De conclusies, die later overigens onterecht zullen blijken, bevestigen de zorgen van velen: de naoorlogse jeugd is ‘verwilderd’ door het verdwijnen van iedere traditie of moraliteit.

Hier ligt een taak voor het koningshuis. Net als haar moeder wordt Juliana dan ook voorgesteld als een onberispelijke dame, een voorbeeldige moeder voor de natie. ‘Zij is allerminst een vrouw, die door allerlei plichten buitenshuis weggezogen wordt van haar gezin’, tekent nota bene een door de vrouwenbeweging samengesteld gedenkboek op. ‘Zij leeft met haar man en haar kinderen het leven van de echte Nederlandse moeder.’ Pr-technisch gezien is er overigens nog het nodige werk te verzetten. Op de vraag van het Nipo in 1947 welke levende mannen of vrouwen Nederlanders het meest bewonderen, worden Juliana en Bernhard nauwelijks genoemd. Moeder Wilhelmina doet het een stuk beter. Zij eindigt achter Winston Churchill op de tweede plaats – overigens op de hielen gezeten door niemand minder dan Stalin.

De inhuldiging in 1948 draagt sterk bij aan Juliana’s naamsbekendheid. De feestelijkheden zijn net als in 1898 bombastisch, vol nationale symboliek. Net als toen pogen de organisatoren de Nederlandse natie als één en ondeelbaar voor te stellen. Op de vier uithoeken van het koninkrijk worden vreugdevuren ontstoken. Dat moet, in de woorden van de burgemeester van het Groningse dorpje waar een van de vuren brandt, ‘aantonen, dat de lage landen bij de zee en het zonnige Oosten en Westen bij elkaar horen’.

Ook nu blijkt de realiteit weerbarstig. Niet lang na de troonsbestijging van Juliana zal Indonesië zich definitief afscheiden. Helemaal weggewerkt kunnen de scheuren in de nationale eenheid ook tijdens de feestelijkheden niet worden. Zo mislukken de pogingen om een Indonesische delegatie te organiseren bij het afscheid van Wilhelmina in het Olympisch stadion.

En tegenwoordig? Hoe effectief is het Oranje-nationalisme in het moderne Nederland nog? En wie zijn het die in de 21ste eeuw buiten de nationale consensus vallen, die toegesproken, vermaand en beschaafd dienen te worden?

De wens om met de monarchie als lijm de binnenlandse scheuren te herstellen is in elk geval springlevend. Per slot van rekening hintte Diederik Samsom al in een vroeg stadium op de mogelijkheid van een Oranje-akkoord in april – tussen politiek, werkgevers en de morrende vakbonden. Het lijkt erop dat de pvda-leider op zijn wenken bediend is. Alom wordt het nieuwe, nationale crisisakkoord bejubeld. Sociale onrust is voorkomen. Eerder sprak Hans Wijers, voorzitter van het Nationaal Comité Inhuldiging, over de troonsbestijging van Willem-Alexander als ‘een fantastisch moment om onze verbondenheid in dit land te vieren’. In de persconferentie waar de feestplannen gepresenteerd werden, was ‘samen’ het kernwoord.

Het is de vraag of die vrome wens voldoet in het moderne, ontzuilde Nederland. Dat Oranje geen wondermiddel is voor alle maatschappelijke kwalen blijkt uit die ‘andere’ inhuldiging. Ook de troonsbestijging van Beatrix in 1980 had een moment van nationale eenheid moeten worden. De tijd was er naar. Net als in 1898 en 1948 viel de wisseling van de wacht midden in een beschavingsoffensief: het ‘ethisch en geestelijk reveil’ van premier Van Agt.

In haar toespraak in de Nieuwe Kerk richtte Beatrix – witte jurk, daar overheen de met hermelijn afgezette koningsmantel – zich tot Juliana. Met haar tedere woorden zocht ze aansluiting bij een inmiddels herkenbare nationalistische metafoor: ‘Niet alleen voor mij, voor ons, uw dochters, maar voor het hele Nederlandse volk bent u een moeder geweest.’ De daaropvolgende balkonscène werd door bijna zeven miljoen Nederlanders live op televisie gevolgd. Maar op de achtergrond klonk het rumoer van een van de grootste rellen in de naoorlogse geschiedenis. Tienduizend man politie, marechaussee en militairen stond lijnrecht tegenover grote groepen krakers, linkse activisten en reltoeristen. 30 april 1980 zou uiteindelijk niet de geschiedenis ingaan als de dag van de kroning, maar van het ‘kroningsoproer’. Het luidde een periode van radicalisering te midden van crisis en massawerkloosheid in. Verdeelder kun je het niet hebben.

Zo zal het eind deze maand niet gaan. Anno 2013 kent Nederland geen partijen meer die zich buiten de nationale consensus plaatsen. Zelfs SP en GroenLinks houden zich doorgaans aan de onzichtbare kaders van wat in Nederland politiek acceptabel en bespreekbaar wordt geacht. Een reeks Kamerleden weigert de eed uit te spreken in de Nieuwe Kerk, maar geen enkele partij maakt er een principieel punt van.

De tegenstanders van de heersende orde zijn dan ook niet langer eenvoudig te identificeren (en in te kapselen), zoals ooit de socialisten en de communisten. Van republikeinse kant valt alleen beschaafd protest te wachten. Symbolisch, net als de rest van de inhuldiging. Als er gevaar dreigt, dan eerder van vage jihadi’s of gestoorde individuen die met waxinelichtjes smijten.

En het Oranje-nationalisme? Zoveel is duidelijk: op 30 april zal de nieuwe koning Willem-Alexander naar goed gebruik de koningsmantel dragen. Ook de traditionele regalia en het rijkszwaard zijn present in de Nieuwe Kerk. De plechtigheid wordt voorafgegaan door een dag van ‘Koningsspelen’ op ruim zesduizend basisscholen. Na een ‘gezond en feestelijk koningsontbijt’ volgt een ‘Koningssportdag’. Het verschil met 1898 is dat het waarschijnlijk meer gaat om obesitas dan om een ‘huldebetoon van Holland’s kracht, van jonge mannen, op wie de Vorstin zal kunnen bouwen als een rots in de ure des gevaars’, zoals het liberale Algemeen Handelsblad het toen omschreef. Over enkele maanden volgt een koninklijke toer door alle provincies, en later dit jaar de resterende overzeese gebieden. Ongetwijfeld zal rond die tijd Máxima de rol van moeder des vaderlands met verve spelen.

Het doel van dit alles is duidelijk: gemeenschapszin bevorderen waar verdeeldheid heerst. Maar heeft het politiek nog effect? Tekenend is dat de meest gevreesde tegenstander voor de Oranjes inmiddels een fervente nationalist is. Hoewel niet openlijk republikeins suggereert Geert Wilders dat hij de monarchie niet per se nodig heeft om de eenheid van de natie te herstellen. Sterker: het ‘kosmopolitische’ koningshuis laat het volgens hem afweten als het gaat om de assimilatie van nieuwkomers en andersgelovigen aan de ‘nationale’ normen en waarden.

Niet geschoten, altijd mis, moeten de organisatoren van de feestelijkheden deze maand hebben gedacht. Dus is er ook een koningslied, met medewerking van Acda en De Munnik, Daphne Deckers en Guus Meeuwis. Alle Nederlanders hebben de afgelopen tijd een bijdrage kunnen leveren. Op de avond van de inhuldiging zal het lied, tijdens het ‘feestelijke meezingconcert Samen voor Oranje’ ten gehore worden gebracht. De nieuwe koning en koningin kijken live mee vanuit Amsterdam via een videoverbinding. Hun onderdanen zullen op dat moment allemaal tegelijk meezingen, spelen en dansen. Ze vergeten de crisis. Gesterkt door dit Oranje-sprookje gaan ze de volgende dag vlijtig werken en consumeren. Ze nemen zich plechtig voor zich nooit meer onzedelijk te gedragen en stemmen bij de komende verkiezingen keurig op een van de middenpartijen.

En ze leefden nog lang en gelukkig.


Amsterdam, 1898.
Kroning van koningin Wilhelmina op de Dam