De prinsesjes van Nederland

Lila leventjes

Kleine meisjes leven letterlijk in een roze wereld. Moeders maken van hun dochter een zoet en stralend droomprinsesje. Krijgen die meisjes niet gewoon te horen dat ze niets hoeven te kunnen, omdat alles in een vrouwenleven om uiterlijkheden draait?

Je hoeft niet lang te zoeken naar het hoekje dat gereserveerd is voor de meisjes, als je de kinderfeestwinkel in de Gerard Doustraat in Amsterdam binnenloopt, want dat onderscheidt zich door het feit dat alle uitgestalde pretartikelen door een roze verfbad lijken te zijn gehaald. Baljurken van roze tule en satijn, roze toverstafjes, roze glittertasjes, en met roze siersteentjes bezette kroontjes en diademen stralen je van verre al tegemoet. Alleen het klapstuk van de collectie - een zwaar gedecolleteerde bruidsjurk met bijpassende sluier en hermelijnen cape - is smetteloos wit.
Geen outfit waarin kleine meisjes zich zorgeloos op de verjaardagstaart, de priklimonade en de vingerverf kunnen werpen, lijkt mij zo, maar dat bezwaar geldt voor alle andere jurken ook. Alleen héél welopgevoede meisjes, die natuurlijk precies weten hoe het er aan het koninklijk hof aan toe gaat, tijdens het bal waarop de prins naar verluidt zijn aanstaande bruid ten dans zal vragen, kunnen erop rekenen dat ze er op het eind van de festiviteiten nog steeds even onberispelijk bij lopen. Zonder dat de vele kwikjes en strikjes zijn geplet en zonder dat hun tiara een beetje scheef is gezakt.
Eigenlijk lukt dat alleen in de sprookjesfilms van Walt Disney, waarin Assepoester, Sneeuwwitje en Doornroosje het goede voorbeeld geven, want welk drama zich ook voltrekt in het leven van die gedroomde prinsessen, je kunt er altijd staat op maken dat hun kapsel perfect in model blijft en dat hun glazen muiltjes na afloop geen barstjes vertonen. Daar houden ze hun petemoei of goede fee voor achter de hand, die maar met haar stafje hoeft te zwaaien om de hele entourage van een prinses in staat van nieuw te houden. En mochten de feeën het een keer laten afweten, dan schieten er wel een paar bijdehante muizen en vogeltjes toe, aangezien de dieren in Disneyland ook heel handig zijn met naald en draad.
In het gewone leven zal die rol wel vervuld worden door een gedienstige moeder, want het zijn tenslotte de moeders die kennelijk zonder blikken of blozen vijftig euro neertellen voor dit soort verkleedkleren-op-hoog-niveau. Om hun jarige dochter van vier te gerieven. En niet te vergeten haar vriendinnetjes van school, want die willen natuurlijk niet bij het feestvarken achterblijven, zodat die moeder ook nog een verkleedkist met vijftien bijna even spectaculaire baljurken zal moeten huren bij de kinderfeestwinkel, à raison van zestig euro. Zodat álle kleine meisjes die uitgenodigd zijn zich een hele middag lang kunnen optutten voor de spiegel.
Had ik al vermeld dat er ook glittermake-up en glitternagellak aan te pas komt, die je eveneens in die winkel kunt kopen? En gazen vleugeltjes, voor het geval dat een van de genodigden zich onverhoeds blijkt te willen identificeren met een engeltje of met Tinkerbell?
Ja, het is een wondere wereld waarin de kleine meisjes van nu opgroeien, en ik moet eerlijk bekennen dat die me een beetje begint te beklemmen. Vooral als ik bij mijn eigen kleindochters zie dat het niet bij zo'n incidenteel verkleedpartijtje blijft.
De kinderkamers van die prinsesjes-in-de-dop zijn ook met sprookjessop overgoten. Hun (uitpuilende) kledingkast is roze, hun bedjes zijn roze met gouden tierelantijntjes, en ze slapen onder een hemeltje van roze of lichtlila mousseline. De pastelkleurige muren van hun damesboudoirtjes zijn bezaaid met elfen en kabouters, er hangt een krullerige spiegel boven een miniatuur-toilettafeltje, en op het dekbedovertrek prijkt de beeltenis van Ariel, de Kleine Zeemeermin.
Waarschijnlijk moet ik ze dat gunnen, en ik gun het ze ook. Sterker, ik draag er het mijne aan bij als ik een cadeautje voor ze koop. Maar toch word ik in toenemende mate bekropen door het gevoel dat de prinsessenhype een eigenaardige boodschap overbrengt.
Als de ouders van een jarig jongetje zo'n dure verkleedkist huren, is die gevuld met piratenkostuums, indianentooien, cowboyhoeden en gelikte Batman- en Superman-pakjes: jongens worden aangemoedigd om zich te vereenzelvigen met actiehelden, die het van hun moed en daadkracht moeten hebben. Mannen die zich onvervaard in de strijd werpen - tégen het onrecht in de wereld en tot nut van het algemeen.
Maar wat voert een prinses nu helemaal uit?
Ze is meestal een koningskind of op z'n minst van zeer goeden huize, zoals Assepoester, maar dat is geen persoonlijke verdienste. Ze is oogverblindend mooi, maar ook dat is een kwestie van geluk en goede genen. Lief en beminnelijk is ze wel, maar die mooie eigenschappen heeft ze voornamelijk te danken aan het feit dat ze nog jong en onervaren is.
Bovendien worden die deugden nauwelijks op de proef gesteld, want in het leven van een sprookjesprinses gebeurt eigenlijk nooit iets. Althans niets wat haar noopt om een daad te stellen.
Doornroosje prikt haar vinger, slaapt honderd jaar en wordt vervolgens gered door een prins. Assepoester zit lijdelijk naast de sintels in de haard en komt geen moment in opstand tegen haar boze stiefmoeder en afgunstige stiefzusters. Ook zij moet dus nodig gered worden door een prins, want als het aan haar had gelegen zat ze daar nu nog steeds. En Sneeuwwitje spant de kroon, want die is zo goedgelovig dat ze uit eigen beweging in de vergiftigde appel bijt en - jawel! - gered moet worden door een prins. Nadat ze zich eerst al had moeten verlaten op de goede inborst van de jager, die haar leven spaart, en ze zich vervolgens heeft laten vertroetelen door de zeven dwergen.

Geen van die meisjes geeft enig blijk van lef of strategisch inzicht: het zijn passieve heldinnen, die zich gedwee schikken in het slachtofferschap. Van het kwaad in de wereld hebben ze gewoon geen benul. Waarschijnlijk omdat ze door hun schepper - of die nu Grimm heet of Disney - niet zijn toegerust met moreel besef. Ze zijn puur goed, wat onder meer mag blijken uit het feit dat er geen boos woord over hun lippen komt, hoe ze ook gemaltraiteerd worden door een rivaliserende (stief)moeder of verwaarloosd door een egocentrische vader die zich nauwelijks om zijn dochter bekommert.
Als je deze sprookjes psychoanalytisch zou willen duiden, kun je stellen dat ze de vrouwelijke tegenhanger vormen van het klassieke Oedipus-verhaal. Assepoester, Doornroosje en Sneeuwwitje lijden alle drie aan een Electra-complex: het dilemma van een dochter die een strijd op leven en dood aanbindt met een jaloerse, narcistische moeder, in de hoop dat ze daarvoor beloond zal worden door de exclusieve liefde van haar vader. In de sprookjes is dat dan ook nog een in alle betekenissen van het woord afwezige vader, die in rouw gedompeld is over de dood van zijn eerste vrouw en het aan zijn tweede echtgenote overlaat om het stiefgezin naar eigen goeddunken te bestieren.
Dat is natuurlijk een onhoudbare situatie, waaraan de dochter pas kan ontsnappen als ze afstand neemt van haar kinderlijke neiging om de vader te idealiseren en van alle schuld vrij te pleiten, en haar emotionele behoeften op een passender liefdesobject leert richten. Iemand van haar eigen leeftijd, die genoeg van haar houdt om doornstruiken te kappen en draken te verslaan, en ten slotte ook nog haar sluimerende seksualiteit wekt met een kus.

Zo bezien vormen de sprookjes met een prinses in de hoofdrol een variant op het literaire thema van de innerlijke groei naar volwassenheid.
Bruno Bettelheim, een psychiater die zich nog op de freudiaanse theorie over de ontwikkeling van de kinderlijke seksualiteit baseerde, heeft dat al opgemerkt in zijn boek The Uses of Enchantment, waarin hij het sprookjeslandschap psychologisch in kaart tracht te brengen.
Om te beginnen werd zijn aandacht natuurlijk getrokken door het seksuele aspect van deze verhalen, en dan met name door de ‘latentiefase’ die aan het seksuele ontwaken in de puberteit vooraf gaat.
Maar omdat sprookjes hun oorsprong vinden in volksverhalen, en hun kracht ontlenen aan het feit dat ze al zo vaak verteld en herverteld zijn, hebben ze een gelaagdheid gekregen die zich niet zo gemakkelijk en eenduidig laat rubriceren.
Bettelheim wijst bijvoorbeeld op het therapeutische vermogen van sprookjes om kinderen - enigermate althans - te verzoenen met het paradoxale feit dat hun 'liefhebbende’ ouders een tweeledig karakter vertonen. Zeg maar gerust: een Januskop. Vroeger of later wordt de onvoorwaardelijke liefde die een kind aan zijn ouders bindt, al was het maar omdat hij totaal van hen afhankelijk is en geen keus heeft, op pijnlijke wijze op de proef gesteld. De moeder die aanvankelijk aan alle behoeften van de baby voldeed, blijkt ineens over een eigen wil te beschikken en demonstreert dat het kind haar niet te voorschijn kan 'toveren’ op elk moment dat het hem zint.
Melanie Klein, ook een Freud-adept maar aanzienlijk weerbarstiger in de leer dan Bettelheim, ziet die emotionele schok als het moment dat het kind afstand moet doen van zijn almachtsfantasieën en begint te begrijpen dat er een kloof is die het scheidt van de rest van de wereld. Het ik-besef is geboren, en dat gaat gepaard met ambivalente gevoelens ten opzichte van de ouders.
In sprookjes duikt dat thema vaak op.
Hans en Grietje worden door hun ouders zomaar achtergelaten in het bos, en zijn op hun eigen vernuft en improvisatievermogen aangewezen om de boze heks om de tuin te leiden en haar in haar eigen oven te duwen, voordat ze de weg naar huis terug kunnen vinden. En Assepoester, Doornroosje en Sneeuwwitje zijn er in wezen niet veel beter aan toe. Al die sprookjeskinderen staan voor de moeilijke opgave om het blinde vertrouwen in hun ouders op te zeggen en hun eigen koers te leren bepalen.
Vader en moeder - maar vooral moeder - worden tijdens dat proces opgesplitst in een 'lieve, veilige’ gedaante en een 'boze, onbetrouwbare’ verschijningsvorm: goede fee en heks. Of: afstandelijke koning die niet naar zijn dochtertje omkijkt, en goede jager die het niet over zijn hart kan verkrijgen om haar te doden.
In sprookjes kunnen kinderen al die tegenstrijdige gevoelens projecteren, zonder voor de ene of de andere visie te hoeven kiezen, en dat is - volgens Bettelheim - het geheim van hun aantrekkingskracht en opvoedkundige werking.

Ten tijde van de tweede feministische golf, in de jaren zeventig, gold het als een groot vergrijp om kinderen in een door sekse bepaald rolmodel te dwingen. Het regende indertijd vermaningen om kleine meisjes vooral een brandweerwagen cadeau te geven op hun verjaardag, en hun jongere broertje te verblijden met een babypop die ook nog echt 'mama’ kon zeggen. Meisjes werden zodoende voorbereid op een actief (beroeps)leven, en jongetjes leerden alvast de basics van het moderne, betrokken vaderschap.
Eigenlijk bevond je je toen al niet meer in de gevarenzone, maar zonder meer op oorlogsgebied als je het waagde om je dochter een barbiepop of een speelgoedkeukentje cadeau te geven. Elk seksestereotiep speelgoed, of het nu voor jongens bedoeld was of voor meisjes, werd getroffen door de banvloek van de feministische voorhoede.
En ik moet meteen bekennen dat ik daar indertijd niet ongevoelig voor was. Had ik een dochter gekregen, in plaats van zonen, dan had ik haar vast een overall en stevige kaplaarsjes aangetrokken en haar aangemoedigd om onvervaard in modderige plassen te stampen en haar handjes vuil te maken in de zandbak. Wat mij daartoe zou hebben gedreven was het destijds algemeen verbreide geloofsartikel dat een onbelemmerde motorische ontwikkeling in rechtstreeks verband staat met meer intellectuele gaven en vaardigheden, zoals nieuwsgierigheid, exploratiedrift en zelfvertrouwen.
Je leert de wereld kennen door je met de obstakels die je daarin aantreft te meten. Pas als je in een boom bent geklommen, begrijp je ineens wat 'hoogte’ is, en het feit dat je dat eigenlijk niet durfde slaat om in zelfverzekerdheid als gebleken is dat je de angst kunt overwinnen.
Toen ik een jaar of zes was hoorde ik dat een van mijn klasgenootjes opschepte over het feit dat hij rietjes stak in het achterwerk van kikkers, omdat hij het grappig vond om ze op te blazen. Met kikkers had ik niet veel, maar ik hield van mijn poes en had al geleerd om die liefde te vertalen in de algemene regel dat je aardig moest zijn voor alle dieren. Uit principe, omdat dieren onschuldig zijn en het verdienen om met respect bejegend te worden. In de pauze heb ik het hem hardhandig ingepeperd, op het schoolplein, hoewel hij een kop groter was dan ik. En ook die beslissing om niet alleen te oordelen maar het kwaad ook te bestraffen, bezegelde op de een of andere manier het beeld dat ik van mezelf begon te vormen als moreel wezen, iemand die begiftigd was met rechtvaardigheidsgevoel en empathie.
En vandaar dat ik altijd even aarzel als ik in de speelgoedwinkel kom om een cadeautje uit te zoeken voor mijn kleindochters en op al die poezelige prinsessenparafernalia stuit. Ik koop ze wel, uit pure lafheid natuurlijk, om bij die schatjes in het gevlij te komen, maar welke boodschap geef ik ze onbedoeld mee?
Dat er in een meisjesleven niks gebeurt totdat er een man - pardon, een prins - komt opdagen die je 'redt’?
Dat je op een happy end kunt rekenen bij de gratie van het feit dat je mooi bent en voor elke gelegenheid de juiste feestjurk met bijpassende schoentjes uit de kast kunt trekken?
Krijgen meisjes van vier tot acht in feite niet gewoon te horen dat ze niets hoeven te kunnen en ook niets hoeven te doen, omdat alles in een vrouwenleven om schoonheid en uiterlijkheden draait?

Als Bruno Bettelheim een lans breekt voor de opvoedkundige waarde van sprookjes kan ik niet anders dan met hem instemmen. Maar dat pedagogische vertoog staat haaks op de manier waarop de sprookjescultuur van nu in louter onbenulligheden is verzand.
Dat is natuurlijk niet de schuld van de kinderen, of van de gebroeders Grimm, en zelfs de Disney-filmstudio’s mag je er niet op aankijken, want het zijn de ouders die deze hysterische hype gecreëerd hebben en gaande houden.
Op mijn bureau ligt het kwartaalschrift van het blad Prinses, een door de Amerikaanse Disney-fabriek gevuld tijdschrift van uitgeverij Sanoma, dat zich uitsluitend bezighoudt met het afbeelden van baljurken voor vijfjarigen en het opwerpen van existentiële vragen als: welk tasje hoort volgens jou bij deze fantastische baljurk van Ariel/Sneeuwwitje/Doornroosje?
Je moet er echt even in gebladerd hebben om het mierzoete narcismegehalte van dit vod (de doelgroep bestaat uit meisjes onder de tien) ten volle tot je door te laten dringen. Het deed me denken aan die perverse Amerikaanse schoonheidswedstrijden voor kleuters, waarin goed gedresseerde vijfjarigen over de catwalk paraderen in sexy cocktailjurkjes, zwaar opgemaakt en wapperend met hun kunstwimpers, terwijl een volwassen jury van verkapte pedofielen voor ze applaudisseert en punten toekent aan het meest hoerig opgepimpte kindvrouwtje.
De vraag waar je mee blijft zitten is natuurlijk of dat allemaal wel zo 'erg’ is. Maaike van Gelder, die verbonden is aan de al eerder genoemde kinderfeestwinkel, vindt dat het zo'n vaart niet loopt. 'Want’, zegt ze wijs, 'als je het gaat verbieden willen ze het juist. Dat zag je vroeger ook bij al die pacifistische ouders die hun kinderen geen speelgoedgeweertjes wilden geven, met het gevolg dat die kinderen alleen nog maar droomden van vechtpoppen en klapperpistooltjes. En bovendien: ze ontgroeien dat stadium vanzelf. Als die meisjes tien zijn willen ze opeens een zwart T-shirtje aan en luisteren ze naar Rammstein. Eerlijk gezegd zou ik het prachtig hebben gevonden als mijn moeder zulke spullen voor me had gekocht, dus laat die meiden er maar een poosje van genieten. Dit is misschien een reactie op de feministische scherpslijperij in de jaren zestig en zeventig, waar de moeders van al die prinsesjes zélf onder geleden hebben. Het gaat allemaal weer voorbij.’
Tja, dat klinkt plausibel, maar toch blijft er bij mij iets wringen. Zou het werkelijk geen invloed hebben als je meisjes van hun derde tot hun achtste jaar overlaadt met spulletjes die maken dat ze op hun uiterlijk gefixeerd raken? Of eraan went dat meisjes en jongens in volkomen verschillende, gesegregeerde werelden leven, met een totaal andere sfeer en andere interessen?
Stiekem denk ik: en dan natuurlijk weer jammeren als over twintig jaar blijkt dat de generatie vrouwen die nu vier is en met een diadeempje rondloopt, straks niet geneigd is om voor werk en ontplooiingsmogelijkheden te vechten in de harde mannenwereld van het werk en de politiek. Aan mij heeft het niet gelegen: ik heb tijdig gewaarschuwd! En ik ben in elk geval blij dat Aletta Jacobs rustig in haar graf ligt en niet mee hoeft te maken hoe met haar erfenis wordt gesold.