Ellen ten Damme in Negen koffers, regie Marieke Rodenburg © EO

‘Es brent brider, es brent/ Oj unser orem Steltl nebech brent.’ Begin van een Jiddisch lied dat Mordechai Gebirtig schreef voordat hij op Bloedige Zondag 1942 in het Krakause getto door de nazi’s werd doodgeschoten. Het is niet alleen klaaglied maar ook aansporing: ons stadje brandt, broeders, sta daar niet, maar blus met water en je eigen bloed. Bitter, bitter. Als het al in Nederland bekend is, dan dankzij Regina Eichner en Hieronymus Fraenkel, bekend als het muzikantenechtpaar Jossy (zang) en Jacques Haland (piano). En sinds kort aan het paar Ellen ten Damme en Ringo Maurer die een deel van het Jiddische Haland-repertoire hebben bestudeerd. Ellen staat met muzikanten in Carré en spreekt het publiek toe voor ze het relatief bekende, geestige lied Tate Blumenfeld zingt. Ze vertelt over de Halands en hun droom in een grote kunsttempel op te treden. Ze hadden wel lang een huiskamertheater in Amsterdam. ‘In de De Clercqstraat’, roept een man uit de zaal, maar Ellen hoort het niet, gespitst op haar inderdaad mooie ‘clou’ dat Jossy en Jacques het nu dus toch tot de kunst-Olympus aan de Amstel hebben gebracht.

Het is een eerbiedige ode aan een duo dat elkaar voor de oorlog in het internationale Jiddisch muzikantencircuit leerde kennen, maar ieder voor zich ook een veel breder repertoire besloeg. En met grote namen optrad (Fernandel, Piaf, Coleman Hawkins – Koleman, zegt Jossy). En in beroemde zalen hadden ze ooit, voor en vooral na de oorlog, wel degelijk gestaan. Jossy eerst in de Ararat in Warschau, centrum van avantgardistisch, socialistisch Jiddisch theater. Later samen in Parijs, in Alhambra en Olympia, vertelt Jossy aan een piepjonge Berend Boudewijn.

Jossy en Jacques Haland, beeld uit Negen koffers © EO

Want de documentaire Negen koffers, over het project van Ellen en Ringo, en dus over de geschiedenis van Jossy en Jacques, bevat mooi archiefmateriaal – uit Polen en Frankrijk, uit Hollandse omroepgeschiedenis (radio-interview van Ischa Meijer met Jacques) en gelukkig ook uit LiLaLo in Amsterdam-West, waar ze van 1959 tot 1983 publiek ontvingen. ‘Sommige oudere Amsterdammers kennen plek en repertoire nog wel’, zegt Ephraïm Goldstoff die Ellen onderwijst in Jiddisch. Dat hij zelf leerde doordat Poolse opa bij de familie inwoonde. En ja, ik kwam ook wel in die kleine ruimte waar je boven op de kleinkunstenaars zat tegen betaling van een drankje. En waar je naast veel luim (‘mazzel en brooche voor de hele Misjpoge’, maar nooit lolligs over Sam en Moos, zegt Jacques) ook flarden van de gruwel meekreeg. Om niet te vergeten – zoals zij uiteraard nooit vergaten. Maar vanuit fundamentele levenslust, optimisme en humanisme.

We horen over hun aandeel in het Franse verzet bij Montauban waar ze als Displaced Persons waren beland. Of liever, zíjn aandeel (parachutistenverzet dat seinde naar Britse en Amerikaanse vliegtuigen) omdat, zegt de gemeentearchivaris, het aandeel van vrouwen helaas minder is vastgelegd. Ontroerend hoe hij zegt nooit mensen te hebben beschadigd, alleen installaties. Maar toch ook dat oorlog je tot beest maakt. Wat ik corrigeer met Jacques Pressers motto: homo homini homo - erger dan lupus, wolf.

Marieke Rodenburg, Negen koffers, EO, zondag 5 december, NPO 2, 15.25 uur