18 januari 1907 – 18 juni 2012

Lina Haag

Ze wist op wonderbaarlijke wijze zichzelf en haar man vrij te krijgen uit het concentratiekamp. Haar boek over de terreur en de angst tijdens de oorlog werd klassiek. Een oprecht mens dat bleef strijden tegen rechteloosheid.

Heinrich Himmler was niet onvriendelijk. Hij lachte een beetje, bekeek haar een tijdje, en vroeg haar toen of ze een communiste was. Lina Haag, die 18 juni op haar 105de verjaardag overleed, heeft het verhaal van haar ontmoeting met de Reichsführer van de SS onnoemelijk vaak verteld. Ze was toen 33 jaar oud, had het ene na het andere verzoek ingediend, en mocht op die dag in januari 1940 eindelijk op belet bij Himmler. ‘Ja’, had ze hem geantwoord, ‘ik ben communiste. Maar wij communisten zijn niet dat gepeupel waar we voor worden aangezien. We hebben gestreden uit idealisme.’ Himmler had vervolgens willen weten of ze inmiddels had ingezien dat haar idealisme fout was. ‘Ik heb alleen maar gestreden voor wat ik als goed en rechtvaardig zag’, zei ze. ‘Ook mijn man heeft zich alleen maar daarvoor ingezet.’ ‘En nu?’ vroeg Himmler. ‘Moet ik uw man vrijlaten?’

Lina Haag behoorde tot de Duitsers die al meteen te maken kregen met de terreur van de nazi’s. Ze werd als Lina Jäger geboren in Schwäbisch Gmünd in Württemberg. In 1920 leerde ze haar man Alfred Haag kennen. Beiden kwamen ze uit eenvoudige gezinnen – zij was het onechte kind van een boer en zijn meid – en sloten zich aan bij de jeugdbeweging van de Duitse communistische partij (kpd). Alfred Haag was, toen Hitler op 30 januari 1933 aan de macht kwam, afgevaardigde van de kpd in de Landdag van Stuttgart en werd meteen een dag later al gevangen genomen. Lina werd een maand later opgepakt, na de Rijksdagbrand, en tien maanden opgesloten in een van de eerste concentratiekampen voor vrouwen. Ze was nog niet vrij of ze werd opnieuw drie jaar gevangen gezet in een tuchthuis, vervolgens kwam ze in het eerste grote vrouwenkamp Lichtenberg terecht.

Wonder boven wonder kwam ze vrij. Ze moest schrijfwerk doen voor de commandant van het kamp. Toen zij hem ontmoette, liet hij zich ontvallen dat ze misschien vrijgelaten kon worden. Lina Haag wist meteen dat dat zinnetje een grote, misschien zelfs haar enige kans was. Ik moet hem in zijn ijdelheid treffen, schoot door haar heen. ‘Ik kan niet vrijgelaten worden’, zei ze, ‘omdat de Gestapo in Stuttgart de hogere instantie is.’ De commandant reageerde zoals ze hoopte: ‘Die Stuttgarter? De hogere instantie?’ Een paar weken later was ze vrij. En reisde ze naar Berlijn, naar Himmler, om ook haar man te bevrijden. Die was ondertussen van Dachau naar het beruchte concentratiekamp Maut­hausen overgebracht.

Het was moedig, zo niet overmoedig, het bezoek dat ze aan Himmler bracht. Ze had even goed zelf weer naar het kamp gestuurd kunnen worden, en gevangenen die terugkeerden werden nog slechter behandeld dan de anderen. Het onderhoud met Himmler duurde een kwartier en ze zou zich elke seconde ervan herinneren. Het rode tapijt op de vloer – rood tapijt zou haar haar verdere leven angst aanjagen. Ze zag zijn gezicht, het ‘Durchschnittgesicht eines Pedanten’. Ze moet indruk op hem hebben gemaakt, want haar man werd vrijgelaten. Kort daarna werd hij echter naar het Oostfront gestuurd.

In 1944 schreef Lina Haag een lange brief aan haar man. ‘Ik zal op je wachten en wachten en wachten. Dat is het wat ik je zeggen wilde, liefste’, luidden de laatste regels van het document, waarin ze ook beschreef hoe ze de oorlog doorkwam. Hoe ze in het kamp niets was, ‘niet eens een nummer, zelfs geen handvol stof’. Over hoe ze gemarteld en mishandeld was. Over de angst en de dood die permanent op de loer lag, als je tegenstander van Hitler was. Wie uit het kamp werd ontslagen – altijd onder de voorwaarde met niemand te praten over wat daar gebeurd was – leefde voortdurend met het gevaar opnieuw opgepakt te worden, wat dan vaak op een terdoodveroordeling neerkwam. ‘Wie in het kamp terugkomt, wordt gegeseld en in een donkere cel geworpen, ik ken de verschrikkelijke ontvangst van recidivisten.’ De ex-gevangenen waren ook schuw tegenover gewone Duitsers, die de ‘Volksfeinden’ bespuugden, of op z’n best negeerden. Lina Haag beschreef het zo: ‘De mensen wijken uiteen als ik eraan kom, vaak bang. Men wil niet in de buurt van het leed komen. Ik kom uit het Gestapogebouw. Daar is het beter, daar kijkt men weg.’

Na de oorlog, in 1947, werd de brief aan haar man gepubliceerd als Eine Handvoll Staub: Widerstand einer Frau 1933-1945, een inmiddels klassieke tekst waarvan honderdduizenden exemplaren zijn verkocht. Het is een liefdesbrief en overlevingsbericht ineen, waarin naast de fysieke terreur het verlangen en gemis opgeroepen worden. Schrijnend is de beschrijving van de hereniging met haar dochter Käte, van wie ze jaren was gescheiden: ‘Käte kust me met de tranen op haar gezicht. Ik houd het lieve kind in mijn armen. Of houdt het mij vast? Ik kan het gewoonweg niet zeggen. Of toch? Ja, het kind houdt mij vast, ik voel het. Zelfs ’s nachts, als ik wakker word, voel ik haar armen om mijn lijf.’

Alfred Haag zou in 1948, pas een jaar na de publicatie van Eine Handvoll Staub, terugkeren. Aan het front was hij krijgsgevangen gemaakt door de Russen. Ze kochten een huis in München. Alfred zou zich tot zijn dood in 1982 inzetten voor de erkenning en schadeloosstelling van mensen die in de oorlog vervolgd waren. Aan Lina werd in 2007, toen ze honderd was, de Dachauprijs voor burgermoed toegekend. Ze was zich de rest van haar leven blijven inzetten voor het pacifisme. Zoals ze in haar boek stelde, kunnen oprechte mensen ‘tegen de onwaarschijnlijke overmacht van de rechteloosheid en het geweld met niets anders dan hun geheven vuisten terugvechten’.