Lingua artis

Die geluiden, die oergeluiden, Naturlauten om met Mahler te spreken, zijn nu zo lang met mij dat de resonans ervan in mijn geheugen een auditief zwerk vormt over een schimmenrijk van dieren die, ongetwijfeld geholpen door de wanorde van knuffelbeesten thuis die mijn looppas verstoort, iets onwerkelijks hebben, gevormd naar het gebalk, gekraai, geblaat, gemekker, gekrijs, gekrakeel, gebalts, gejank, geroep dat zich tot spiralen, driehoeken, kegels en cirkels vormt. Geluid is mij een oord geworden, geometrisch, kleurig, als gelei voor het oog, en een tweede oog - een argusoog - dat ziet als ik de leden sluit en een voorkeur heeft voor rood. Het is een oord van mystiek zou ik zeggen als ik mijzelf ernstig nam: het is eerder de icarusvlucht waartoe de zintuigen met vereende en verwarde krachten in staat zijn. Niet de gouden halo’s van mystiek, maar de judaspenning van dolle zinnen. Het doet mij denken aan die oude strips waarin de kleuren net buiten de inktcontouren vallen en hun primaire staat verraden.

Het is beter de plaats waar die geluiden vandaan komen niet te betreden, dat verbreekt de magie. Nee, ik wil niet op de foto, zoals bij de ingang gevraagd wordt, alsof de bezoeker de bezienswaardigheid is en niet de drogwildernis achter de tralies. De tijger had zijn gevangenispak al aan. Want in de woestijn was er al geen vrijheid.
Nu ik hier ver weg ben van die ruige hof kan ik pas de fabels en opsmuk ervan waarderen. De kermisachtige snoepwinkeltjes waarderen, als gemaakt om de schutmogelijkheden van de flamingo’s en rode ibissen te vergemakkelijken. Mama, ik wil zo'n lolly. Maar die lolly vliegt al weg als het kind er naar wijst. Alice heeft er nog cricket mee gespeeld. Het kotertje huilt met een huigtonende schreeuw en sproeit tranen. Een slingeraap klampt zich vast aan een rug, vermomd als pluizig rugzakje en de getraliede uitgang lokt. De suikerspinner ragrolt ijle kleverige nestharige gefnuikte vogels die een lange poot hebben. De stokstaart was de mens voor met een wandelstok die ook als zitje gebruikt kan worden terwijl de oude ogen peripathetisch knipperen naar het vage landschap rondom.
De bomen en struiken vormen patronen, gekmakende patronen. Een geheel van onbegrepen tekens, klimop die klauwt, struwelen die de voelsprieten strekken, gras spreekt cursief knisperende boodschappen, de hemel bekrassen nauw zichtbare aders, waarin elk oogvlekje, lichtpuntje trilt; takken die doorlopen in andere boomtwijgen, toegen die de knokige vingers ineenstrengelen om de zon op te vangen die spiraalt en cirkelt tot de geluiden die het domein achter mijn gesloten ogen bewonen. De tijgerstrepen van de rouwende tijger - zijn onvruchtbare wijfje is overleden - blijven bij ons, doortralied, marcheren onophoudelijk voorbij, maar aan de tralies komt geen einde, alleen zijn gekweld, hartverscheurend, onbegrijpend gebrul sterft langzaam weg.
Er is geen werkelijke rust zolang mijn ontvankelijkheid regeert.