Lingua artis

Toen ik eindelijk in roesdroom verviel, werd ik gewichteloos in een krankzinnige carrousel van kleuren en lichten geslingerd, een doldraaimolen van zwiepende stippelstaarten en gapende openingen. In een gedrochtelijke schim herkende ik een gids en hem volgde ik. En na een ijle vaart, slingeringen en tuimelingen kwam ik in oerwouden waar niet zozeer dieren zelf waren, maar alleen hun aanwezigheid voelbaar was, totdat zij mij begonnen aan te vallen, kleverige ectoplasma’s die als trillende spinnewebben zich aan je hechtten.

Wat Thomas de Quincey involuties noemt - de hamstervoorraad van de onbewuste geest die tijdens trances open wordt getrokken om in zinnebeelden een diafane wereld te bouwen - bestaat bij mij blijkbaar uit een woud vol roofdieren en slangen. Misschien dat Artis hieraan debet is, ik weet het niet, mijn onderwereld mist in elk geval de ordening en de gemakkelijke initeraria van de zondagsbezoeker.
Of het onderbewuste is niets anders dan alle dierlijke behoeften en driften, die, wanneer opgeroepen, zich openbaren in dierlijke verschijningen, saurische kronkelingen en slanggeschubte gevaren. De slang die zo elegant mijwaarts gleed, kan ik wel beschouwen als een manifestatie van het kwaad, of de verleiding, ware het niet dat ik niet in de christelijke traditie ben opgevoed, hoewel gevoed door die traditie.
Zo'n roes lijkt het meeste nog op de droom van een rups voor zijn metamorfose tot vlinder. Het pandemonium is een manifestatie van het id - zoals de engelenheer een verbeelding is van het superego. Maar neerdalend in dat onderbewuste, is er geen verlangen om op te stijgen naar een hoger plan. Na het geraas en gebral van het oergemoed is er de huiselijkheid van het lichamelijk omhulsel, dat je past als nieuwe, fijne kleren. Ik zou de dood verwelkomen als ik de zekerheid had dat die een permanente verblijfplaats verschafte in het id. Werkelijk gelovige mensen kijken nooit omhoog maar om zich heen: zittend in een trein zullen we ons altijd blijven afvragen waar die fietser op de dijk, tussen lange zwaaiende bomen, naartoe gaat. Een hartetril, een hartekramp. Dat is schoonheid, tragisch, omdat werkelijke schoonheid nu eenmaal vergaan moet. Blijft alleen een verre echo in het geheugen.
En Artis brengt niets terug. Het blijft een onwillige wandeling in de storm, langs treurende dieren, die de warmte opzoeken tussen de ravage die de herfst aanricht. Het water is er bruiner dan ooit en zelfs het geknabbelde fruit op de apenrots brengt niets van de lente terug.
Ik ga weg. Verlaat de dierentuin. Ik heb een vel afgelegd, ik heb geruid. Maar in die onderduisternis roert zich ongemerkt een andere dierenwereld, waar ik mij meer thuisvoel.