Lingua artis

Ik was vrouw en kind kwijtgeraakt in Artis en op mijn zoektocht kwam ik langs dieren waar ik niet eerder bij stil had gestaan, zodat ik mijn doel vergat.

Zo was er in oude tijden Abdullah ibn abi Kilabah die in de woestijn van Aden (Jemen) op zoek ging naar zijn afgedwaalde dromedaris. Hij kwam opeens uit bij een wonderbaarlijke stad van rode bakstenen, met vier poorten, driehonderdduizend paleizen geschraagd door driehonderdduizend pilaren bedekt met goud. Hieraan ontleende de stad zijn naam: Iram van de Pilaren (koran 89-6-7). Deze stad was gebouwd door de eerste koning van de Adenieten, Shaddad, die op antwoord van de profeet Hud, die de koning als beloning voor het geloof in een God een paradijs in de hemel beloofde, lasterlijk antwoordde dat hij zo'n paradijs zelf op aarde zou bouwen. Na vijfhonderd jaar was de stad voltooid, maar op dat moment trof de Doodsengel Azra'il hem en de zijnen met een schreeuw van toorn, waarop zij allen vergingen.
Abdullah ibn abi Kilabah trad de stad binnen, die barstte van de rijkdommen en nam er zoveel als hij dragen kon mee naar zijn volk. Uiteraard wilden meer mensen de stad aanschouwen, maar toen ze op dezelfde plek aankwamen, was de stad door de aarde verzwolgen. Dit was het werk van de alwijze God. Pas in het hiernamaals zal de stad voor de gelovigen geopenbaard worden. Abdullah ibn abi Kilabah vond zijn dromedaris overigens niet terug - in de overleveringen wordt er niet meer over gerept. Wat een kwelling en betovering om dat rijdier in gedachten te volgen. Misschien ligt zijn karkas bedolven onder zand, dat in zijn ribben een aangename echo vond van die zandkrinkels die een rilling van kou suggereren in de zengzon. Het is de enige werkelijk onsterfelijke dromedaris die ik ken. Omdat zijn levensloop onvoltooid is, blijft hij sterven en weer opstaan in mijn gedachten en ik zal niet rusten tot ik hem in een verhaal heb begraven. Er zijn bedoeïenen die beweren de stad Iram te hebben gezien - en ik geloof ze, want de Fee Morgana en zonnespinsels zijn tot alles in staat.
Een andere Arabier verloor in de woestijn twee ezels. Op zijn zoektocht kwam hij een gesluierde vrouw tegen in een howdah op een kameel. Haar ogen straalden hem tegemoet en beloofden een grote schoonheid. Na lang aandringen van zijn kant, ontsluierde de vrouw haar gezicht en tot zijn schrik zag hij dat ze een ‘fauha’ was, een vrouw met een grote, lelijke mond. Daarop riep hij uit: 'Uw mond brengt mij mijn twee ezels weer in herinnering!’ Deze uitspraak is spreekwoordelijk geworden. En nadat hij zijn ezels had gevonden, sprak hij, nog steeds grimmig en gram: 'Ware de sluier voor elke vrouw verboden/ Dan zou geen enkele vrouw een man misleiden!’