Lingua artis

De symboliek dringt nu pas tot mij door. Mijn zoon heeft zijn eerste wankele stappen (de vuistjes opgeheven alsof hij aan de bretels van de zwaartekracht trekt) gezet. En wel in Artis. En wel in de zandbak. En wel in de zandbak naast het verblijf van de kamelen.

En: het was zonnig.
Genen zijn nomadisch en blijkbaar was dat moment, een alchimisch moment van zon, zand en zandschip dat hun de juiste vestigingsplaats verschafte. Het was een moment van verlichting. Alles was in harmonie.
Niet dat ik ooit de vlakten van mijn vermeende voorvaderen onder mijn voeten voelde of die krinkels (nimniem in het Arabisch) als mierensporen door mijn bloed voelde rimpelen (de heuveltoppen waar een zandstraal opwaait als een heksenhaar dat nog geen vlam heeft gevat) - maar ik moest toch toegeven aan een kleine hartetril.
Zou het dan (o horror) toch waar zijn wat mensen (lees: critici) over mij zeggen: dat ik mijns ondanks toch schatplichtig ben aan waar ik vandaan kom en zelfs aan de geesten uit een schimmenrijk van een land dat ik slechts in vage verherinneringen ken, een land waarvan ik altijd heb gedacht dat het door Paul Bowles was uitgevonden?
En niet alleen genen hebben een vreemde manier van dolen, woorden ook. Kemel, kameel komt uit het Arabische djamal, die maar één bult heeft, wat wij dromedaris noemen, dat uit het Grieks komt voor ‘snelle loper’. In zijn zwerftocht naar het Nederlands heeft de kameel een tweede bult erbij gekregen. Ik vind dat de etymologie in dit geval verbeterd zou moeten worden en de extra bult chirurgisch verwijderd. Een veulen heeft als eerste betekenis het jong van een kameel, pas in tweede instantie dat van een paard. Op dat moment leste ik mijn dorst en ik moest eraan denken dat in het slangenhuis een slang ontbreekt: een slang die leeft in het land waar Pantagruel ('alles dorstig’ volgens de kostelijke etymologie van Alcofibras, alias Rabelais) geboren is en dat het huisdier is van de gulle drinker. Ik bedoel de dipsa, de slang wiens beet een eeuwige dorst veroorzaakt, dipsomanie. Dipsa is Grieks voor dorst. Een slemper, een pimper is een dipsomaan. Ik weet niet wat het tegengif is van deze beet.
Ik heb al een paar mascottes genoemd uit de literatuur, maar de dipsa, mijn lieveling, was ik vergeten. Milton noemt de dipsa in Paradise Lost: 'Scorpion and Asp, and Amphisbaena dire, Cerastes hound, Hydrus, and Ellops drear, and Dipsas.’
U ziet, de dipsa bevindt zich in goed gezelschap. En laat dit u ook niet afschrikken: de gedeelten in Milton die over de duivel handelen, zijn veel sterker. En dat is niet toevallig.
Mijn kroost heeft zijn passen thuis herhaald, lustig zand moezelend. Dat zand heb ik niet weggeveegd (enige sentimentaliteit is mij niet vreemd), het knarst tussen mijn tenen en tanden. En droogt mijn keel. Ik heb dorst.