Lingua artis

Zij zijn de werkelijk vaste bezoekers niet alleen van Artis, maar van elk plein en park in de stad, soms bekneld tussen vette duiven.

Zij zijn de morgenhulders, de aubadebrengers, de vervloekte wekkers van al te late slaap met hun ruit (het vogelgekwetter in de ochtend).
Zij zijn, zoals iemand ze ooit noemde, the beggars among birds.
In oude tijden en verhalen droegen zij de zielen van demonen die zo hun onsterfelijkheid waarborgden.
Zij zijn de gelegenheidsquerulanten die in gebladerde duivenlokalen of herenclubs bijeen komen om partnerloze tijden met twisten te vullen - want alle mannelijke kroeggesprekken klinken als twisten.
Zij zijn het die na stortbuien dronken de zon roepen.
Zij zijn het aan wie menige blik misschien onachtzaam voorbij gaat - geheel ten onrechte.
Ik spreek over mussen, die sinds mijn kindertijd mijn hoofd vullen en die ik pas recentelijk heb ontkooid. Ik heb ze op Momo losgelaten, hoewel hun geest af en toe aan mijn hartesnaren rukt, of de wormen uit mijn nesse gemoed trekt.
Een wreed beeld: de worm spartelt nog in de snavel, de mus blikt schichtig, de kop opgeheven, toont trots zijn trofee, alvorens het arme slachtoffertje op te slokken. Zo eet een Berber voor het eerst spaghetti.
Kuierend door Artis kruisen zij mijn weg, vliegen voor mij in sierlijke bogen, vliegen plotseling op, huppelen, kijken me met één oog aan, vragend, spottend, slingeren heen en weer. De kosmopolieten onder de vogels.
Hun gekrakeel is plagend, het vult mijn hoofd met een onbegrijpelijke taal, een luidruchtig feest dat onophoudelijk plaatsvindt achter de muur van mijn bewustzijn - alleen weet ik niet wat er gevierd wordt, waartoe dient dat gekwetter, getsjilp, getwitter en ik hou van die krankzinnigheid, die zotheid die steeds op de loer ligt.
En het is dit misbaar dat tot geflonker wordt achter mijn gesloten oogleden, wanneer de slaap niet komen wil, schitteringen, onrustig geflakker. En als sluimer eindelijk overwint dan valt mijn wereld uiteen, zoals het silhouet van een boom in bladeren uit elkaar lijkt te vallen wanneer een vlucht mussen wegvliegt: wat je voor bladeren hield waren vogels en de boom blijkt onbehaard te zijn.
Ik heb de zekerheid dat de bogen en kronkels en slingers van hun vlucht de naden zijn van mijn wereld, een ijl, mirageachtig oord; de aders en vorkingen en vertakkingen van een beschermend gewelf. Het is een bekend verhaal van de koning die het dak van zijn tombe van doorzichtig alabaster liet maken zodat hij na zijn dood de vogels kon zien overvliegen. Mussen door een dak van alabaster.
Het geeft mij vreugde (vreugde met een harteklop van weemoed) dat zij mij een illusie van een vrije wereld geven - illusie zeg ik omdat ik weet dat er geen werkelijke vrijheid bestaat zolang er slechts barsten zijn in de muren van mijn bewustzijn, dat er geen kans bestaat dat de funderingen aangetast zullen worden en het steen afbrokkelen. En ik weet dat de dansvluchten van de mussen bijeen worden gehouden door een ordening, door natuurwetten en -netten, die elke val of vlucht opvangen.