Lingua artis

Zijn bijnaam is Christoforus, Drager van Christus. In het Arabisch wordt hij Aboe Yaqdan, Vader van de Ontwaking genoemd, omdat hij ‘s ochtends balkt.

Of dit laatste klopt, weet ik niet, hoewel zijn treurzang regelmatig weerklinkt door ons huis. Ongetwijfeld verlangt hij naar de zon, wil hij weg uit dat kinderboerderijtje waar kinderen op hun vervelendst zijn. De ezel is de droevigste onder de dieren. Zijn gebalk klinkt roestig, als het kraken en knarsen van een oude waterpomp. Het klinkt als het wanhopig gescheld van de dorpsgek in mijn Marokko van voorheen, die stom was, maar wanneer tot razernij gebracht door blagen, een hartverscheurend beestachtig gestotter liet horen. Wanneer ik hem hoor denk ik terug aan de ezel in dat verre dorp, wiens gehuil de nachtstilte onderbrak (de rokende en drinkende jongelui onder olijfboom en maan schrokken uit hun zonde op) en die overdag leed onder de stokslagen van een kale jongen, zo vuil als het beest zelf, dat op zijn flanken een landkaart vertoonde van wonden en littekens, waarop vliegen krioelden.
Een ezel hoort thuis in oorden van cactus en zon, stof en droogte, hitte en onverkwikkelijke schaduwen, waar ze nog niet geleerd hebben dieren niet te mishandelen en waar zoiets als de Sophiavereeniging ter bescherming van dieren onwerkelijker is dan het noorden vol groen en ‘snelwegen zo schoon dat je jezelf erin weerspiegeld ziet’ (ik citeer).
Hugo Claus heeft een mooi gedicht gewijd aan een ezel ('Ambroos’), dat in Watou op de muur van een oude stal pronkt. En natuurlijk is daar de verteller van De Gouden Ezel van Apuleius die in een ezel verandert. Onvergetelijk is de beschrijving waarin hij een vrouw die verliefd is geworden op vooral zijn ezelgeslacht betreedt. Vrouwonvriendelijk misschien, maar meer nog dieronvriendelijk. Geharde pornografen zullen seks met dieren afkeuren, omdat dieren geen nee kunnen zeggen: een argument dat onweerlegbaar is.
Ik zeg: de man had het slechter kunnen treffen. Het lijkt mij beter dan in een weerwolf veranderen, bijvoorbeeld.
Het is altijd een plezier om te zien hoe de benen van een ezelberijder onophoudelijk tegen de flanken van het dier schommelen; de stok van de ruiter (we zijn nu in Marokko) zwiept van de ene kant naar de andere. In de nauwe straten van de medina blokkeert een andere ezel, overbeladen, nauwelijks zichtbaar onder zijn overdadige last (zoals de wagens van immigranten op vakantie naar het vaderland), de toegang, terwijl een oude man hem opdrijft en de voetgangers voor hem waarschuwt.
Stok-, hoef- of hartslag, ’t is maar 'n ander woord. Jij, zon en stof, dat zijn klassieke dingen. Bileam. 'Ra’, ik sla, en ’t gaat als zingen: 'Arrazid, tsja, ha-ha; arra, zid, voort.’
In het ruige noorden van Marokko heb ik ezel gereden, over ruwe paden, langs afgronden, rakelings langs cactussen. Het dier draafde lustig door, terwijl ik menigmaal mijn hart en ademtochten in de diepte verloor. En daar in die slonden, die afgronden, ligt mijn moederland, en de ezel heb ik allang vrijgelaten, hij rust ergens of loopt rond op zoek naar rozen.