Lingua artis

Echt blij wordt mijn kind in Artis pas als hij een hond ziet, die niet behoort tot de dierentuinbevolking. Van een aap, leeuw, tijger, wolf, olifant, giraffe kijkt hij niet op. Deze liefde baart mij zorgen, omdat ik een hekel heb aan honden. In een nachtmerrie die ik sinds mijn kindertijd heb, word ik achtervolgd door zwarte, wild schuimende dobermanns, die hun tanden zetten in mijn onderste ruggewervels - voornamelijk die ene tussenwervel die loszit -, voordat de droom in fade-out verdwijnt. Half wakker voel ik de beet in mijn rug.

Toen ik als vuilnisman werkte, met niet de meest fijnzinnige mannen op de wereld, vertelde een collega mij een keer over zijn bezoek aan de dierenarts met een ziek hondje: in de wachtkamer had hij tranen in zijn ogen gekregen. ‘Ja’, knikte hij, 'het is net je kind.’
Verbazingwekkend dat hij, die zelf ook kinderen had, zo'n vergelijking kon trekken. Het is een aanfluiting voor het ouderschap. Waarin een kind en een huisdier - het liefst een klein, etterbakkig worstje op vier poten met van die snoezige, trieste ogen - misschien overeenkomen, is in de aandacht die ze van vreemde mensen op straat trekken. Aandacht gegarandeerd en stof - vooral bij honden - genoeg voor een vluchtig, warm menselijk gesprek.
Voordat men denkt dat ik dieren haat (dat doe ik niet) zal ik vertellen over het schaap waarmee ik en mijn sibben een innige band hadden in Marokko. We hebben nog foto’s van dat schaap, zwart-wit, die een suggestie geven van regenachtige klamheid, hoewel de tijden toen regenloos waren en de zon onbarmhartig. Maar goed, dat terzijde.
We hadden lang voor het offerfeest het schaap in huis gehaald om hem vet te mesten en te verzorgen. Hij was een ontzagwekkend dier, met prachtige krulhoorns die als een kroon op zijn voorhoofd prijkten. Hij was een trots, agressief dier, dat slechts mak werd in de buurt van ons kinderen.
We hadden hem een tijdje bij buren ondergebracht die een geïmproviseerd stalletje hadden met hun eigen, bruine, minder majestueuze schapen, maar dat pakte niet goed uit. Ons schaap terroriseerde de andere en deed niets anders dan nijten. Ik hoor nog duidelijk dat geluid: een macaber gebonk van hoofd op hoofd, een hersenschuddend gemep. Uiteindelijk haalden we het schaap terug en ik hing weer aan zijn bonte hals.
De dag van het offer naderde sneller dan wij wilden. Het deed zelfs mijn vader pijn om het dier mee te nemen voor de slacht. Wij smeekten hem een ander schaap te nemen.
Gedwee en statig volgde het schaap mijn vader. Ik heb de slachting niet gezien, ik heb het schaap niet horen blaten. Met een bebloed mes kwam mijn vader terug, niet onontroerd, en vertelde dat het schaap niet had tegengestribbeld. Het was alsof hij al die tijd wist wat hem te wachten stond.
Hij had gezien, vertelde mijn vader, hoe het dier een traan liet voordat het mes hem op de keel werd gezet.
De pijn was meteen vergeten toen het vlees op een komfoor lag te sissen en te walmen en te geuren zoals ik vlees nooit meer heb geroken - zeker niet in shoarmatenten alhier.
Hij zou in het paradijs vertoeven, vertelde mijn vader. Het schaap bedoel ik. Alle dieren geofferd aan God hebben een plaats in het paradijs, vertelt ons de islam. Dit wil zeggen dat dieren volgens moslims een ziel hebben. Vrouwen trouwens ook.