Economie

Links

Wat is eigenlijk nog links? Die prangende vraag houdt me bezig. En niet alleen mijzelf. Wat ik links vind, wordt niet altijd links gevonden. In een nogal onbezonnen brief voorziet het SP-kamerlid Jasper van Dijk mijn columns van het predikaat neoliberaal. Inhoudelijke argumenten zijn dan blijkbaar overbodig. De redactie wordt bestookt met reacties: ze is niet goed bij haar hoofd om mij een podium te verschaffen waarop ik rechtse prietpraat kan verkondigen.
Toch beschouw ik mezelf als links. Een linkse liberaal om precies te zijn. Ik ben links omdat ik niet wil dat mensen in schrijnende armoede leven, en omdat ik vind dat ieder mens recht heeft op een waardig bestaan. Iedereen moet bovendien gelijke kansen krijgen om zichzelf te ontplooien, ongeacht afkomst en economische obstakels. Dat is niet alleen links, maar ook liberaal.
Ook liberaal is dat verschil door inzet niet erg is. Sterker, mensen die hard hun best doen, moeten daarvoor worden beloond. Ik ben bovendien allergisch voor mensen die verschillen per definitie willen platslaan. Mensen maken verschillende keuzes, die niets te maken hebben met ongelijke kansen of talen-ten. Natuurlijk blijven er verschillen door aangeboren talenten en sociaal-economische machtsposities, zelfs als kansen en inzet gelijk zijn verdeeld. Díe verschillen moeten worden verkleind, maar niet tegen elke prijs. Nivellering verkleint ook de terechte beloning voor hard werk.
Ik heb een broertje dood aan (neo)conservatieven. Óf het particuliere initiatief óf de goddelijke ordening der dingen verklaren zij heilig. De overheid dient zich met geen van beide te bemoeien. Charitatieve instellingen en maatschappelijk middenveld zorgen ervoor dat de verworpenen der aarde net niet sterven, al blijven ze wel creperen.
Over mijn politieke voorkeuren kan worden getwist. Toch is de werkelijke reden voor irritatie dat door mij voorgestelde middelen ten onrechte met politieke doelen worden verward. Ik geef drie voorbeelden.
In de laatste recessie verloren honderdduizenden mensen hun baan. De kwetsbaarste werknemers (laaggeschoolden, vrouwen, jongeren en allochtonen), met veelal tijdelijke contracten, zitten in de hoek waar rake klappen van de conjunctuur vallen. De insiders (hooggeschoolde, mannelijke, oudere, autochtone werknemers) gaan vrijwel zonder arbeidsmarktrisico door het leven. Uitgerekend zij protesteerden tegen ingrepen in de vroegpensioenregelingen en de WAO. De insiders misbruiken al jaren de CAO’s om hun gevestigde belangen te beschermen en de arbeidsmarktrisico’s worden op de outsiders afgewenteld. Dat is verre van links.
Tweede voorbeeld. Een inkomensvloer in de arbeidsmarkt – het minimumloon, of de laagste CAO-schalen – lijkt op het eerste gezicht een sociaal middel om een hoger inkomen voor de laagst betaalden te realiseren. Het vernietigt echter alle werkgelegenheid voor mensen die minder productief zijn dan dit minimum. Bedrijven zijn geen filantropische instellingen en ontslaan werknemers die meer kosten dan opleveren. Het middel is erger dan de kwaal. De inkomensvloer resulteert onherroepelijk in de bedelstaf voor iedereen die niet langer mee kan doen. Het is daarom links om afschaffing van het minimumloon te bepleiten bij gelijktijdige belastingverlaging voor arme werkenden. Het doel van een hoger inkomen aan de onderkant wordt gerealiseerd, zonder dat werkgelegenheid aan de onderkant wordt vernietigd.
Derde voorbeeld. Volgens het CBS en CPB zitten in 2006 631.000 mensen in bijstand en werkloosheidswet. Er zijn 856.000 arbeidsongeschikten, 402.000 mensen in de ziektewet en 384.000 mensen met een vut-uitkering. Dat zijn 2.273.000 uitkeringsgerechtigden op een beroepsbevolking van 7.487.000 mensen. 2.581.800 AOW’ers tellen niet mee. Het is mesjogge dat deze cijfers voor linkse mensen normaal zijn. Uitkeringen naar rato van het laatst verdiende loon en werkervaring maken het te aantrekkelijk om niet meer te werken en vakbonden stellen bovendien te hoge looneisen. Dat wordt voorkomen als uitkeringen worden gebaseerd op een fatsoenlijk basisniveau, dat voor iedereen gelijk is en korter duurt. ‘Sociale afbraak’ wordt er dan geroepen. Echter, sociale afbraak is dat noodzakelijke investeringen in kinderen, onderwijs, innovatie en milieu al jaren worden verdrongen door torenhoge inkomensoverdrachten aan niet altijd de meest kwetsbare groepen.
Mijn hart zit links en mijn verstand zit rechts. Veel mensen denken dat ik allerlei linkse verworvenheden ter discussie stel en de welvaartsstaat wil afbreken. Inderdaad. Veel linkse verworvenheden zijn niet links. De prijs wordt namelijk door de meest kwetsbaren betaald. De welvaartsstaat moet worden hervormd als linkse mensen alleen gevestigde deelbelangen behartigen en uit het oog verliezen waarvoor de welvaartsstaat is bedoeld: het beschermen en emanciperen van zwakkeren. Als linkse mensen dit neoliberaal vinden, dan wil ik mezelf eigenlijk niet meer links noemen.