Max Schmeling, 28 september 1905

Links en rechts geëerd

«Terugblikkend ben ik blij dat ik dat gevecht verloren heb», zei Max Schmeling in 1975 over de zwaarste nederlaag uit zijn bokscarrière. Hij ging in het gevecht om de wereldtitel op 22 juni 1938 al na 124 seconden knock-out. Zijn tegenstander – en titelverdediger – was de zwarte Amerikaan Joe Louis.

De nazi-propaganda stelde het gevecht voor als een strijd van de Arische Übermensch tegen de zwarte Untermensch waarvan de uitslag bij voorbaat vaststond. Bij een overwinning zou Schmeling, die twee jaar eerder op knock-out van Louis won, als model-Ariër gevierd zijn, maar Louis sloeg de cultus die de nazi-propagandamachine rond Schmeling had opgebouwd in twee minuten aan diggelen. Daarmee ging ook de these van Arische superioriteit onderuit.

Louis, in eigen land gevierd als een symbool van vrijheid en gelijkheid, won van Schmeling, de verpersoonlijking van de nazistische dreiging. Het beeld van de nazi-bokser die zo smadelijk van een zwarte verloor, vestigde zich sterk in het geheugen van veel Amerikaanse sportliefhebbers. Schmeling was echter meer dan dat. Hij is de populairste Duitse sporter aller tijden; in zijn lange leven weerspiegelt zich een groot deel van de Duitse twintigste eeuw.

Schmeling groeide onder eenvoudige omstandigheden op in Hamburg. Zijn moeder was een boerendochter uit de Uckermark; zijn vader zeeman bij de Hamburg-Amerika Lijn. Als kind maakte Schmeling de ellende mee die de Eerste Wereldoorlog in de Duitse volkswijken verbreidde. Hij was negen toen zijn vader onder de wapenen geroepen werd. Als oudste van drie kinderen voelde «Mackie» zich verantwoordelijk voor het huishouden. Om zijn moeder te helpen bood hij zich als loopjongen aan bij een apotheker. Hij zorgde voor zijn broertje en zusje, en dat voor een jongen van amper tien jaar in een tijd van honger en schaarste. Schmeling ervoer de groeiende ontevredenheid onder de Duitse bevolking die in november 1918 uitmondde in de revolutie die een einde maakte aan het keizerrijk. Als dertienjarige was hij getuige van de bezetting van het Hamburgse stadhuis door communistische soldaten en arbeidersmilities.

Schmeling begon te dromen van een bokscarrière toen hij op zijn vijftiende de filmregistratie van een bokswedstrijd zag. Bij een vriend thuis werden, bij afwezigheid van de ouders, bokswedstrijden georganiseerd waarbij vaders sokken als bokshandschoenen dienden. Begin 1922 trok hij naar het Rijnland, het centrum van de bokssport in Duitsland. Werkend als bouwvakker in Düsseldorf en Keulen maakte hij al gauw furore als amateur-bokser. In april 1924 werd hij afgevaardigd naar de amateur-kampioenschappen in Chemnitz, waar hij de tweede plaats in het halfzwaargewicht behaalde.

Voor de Eerste Wereldoorlog was boksen in Duitsland verboden. De meeste Duitsers kenden de sport niet. Nadat het keizerrijk had plaatsgemaakt voor de Weimar-republiek werd het verbod opgeheven. De sport werd geïmporteerd door uit Groot-Brittannië terugkerende krijgsgevangenen en de bezettingstroepen in het Rijnland, en op 18 februari 1919 vond de eerste officiële bokswedstrijd plaats. Het boksen groeide uit tot een echte massasport; de bokser werd de ideale «volksheld» die succes behaalde ondanks zijn eenvoudige afkomst.

Gesellschaftsfähig werd het boksen door de fascinatie die het bij veel schrijvers en kunstenaars wekte. Sport, en bij uitstek boksen, was voor linkse intellectuelen een middel om de oude wilhelminische cultuur te overwinnen en de burgerlijke cultuur aan te vallen. Een sportwedstrijd brengt duidelijk meer bij de mensen teweeg dan Goethe, schreef de dichter Hermann Bahr in 1928. Een beroemd cultuurtijdschrift was Der Querschnitt met als ondertitel Magazin für Kunst, Literatur und Boxsport. De acteur Fritz Kortner was gefascineerd door het gevecht als drama, waarin de harde strijd van het leven uitgebeeld werd.

Een sportjournalist had Schmeling in het bohémienachtige schrijvers- en kunstenaarsmilieu van Berlijn geïntroduceerd. Hij was als Ungebildete gevleid door de belangstelling die de intellectuele elite voor hem opbracht en begaf zich graag in exclusieve clubs als Schwannekes Weinstuben in de Rankestrasse. Hij liet zich bewonderen en genoot ervan in het middelpunt van de belangstelling te staan. De beeldhouwers Ernesto de Fiori, Rudolf Belling en Josef Thorak portretteerden hem, evenals de schilder George Grosz, die in het boksen analogieën van zijn eigen artistieke methode zag.

Grosz sprak met Schmeling over de noodzaak voor de bokser en de kunstenaar om een vreemd persoon met één blik te doorgronden: «Ik moet een schilderij maken, jij moet een vechtmethode anticiperen.» Kortner ervoer de «uitdrukkingskracht» van de bokser weer als een opwindende les voor acteurs. Voor Bertolt Brecht – die vaak in gezelschap van bokskampioen Paul Samson-Körner verkeerde – was de «bokskunst» een metafoor om het gevestigde theater aan te vallen. Het kritische publiek dat Brecht voor zijn theater wenste, was volgens hem nergens duidelijker aanwezig dan rond de boksring. Boksen speelde een centrale rol in zijn pleidooi voor een massacultuur die levendiger en spannender zou zijn dan de elitecultuur.

Schmelings carrière ontwikkelde zich snel. Na zijn tweede plaats in Chemnitz werd hij professional en vestigde zich in Berlijn. In augustus 1926 veroverde hij de Duitse titel in het halfzwaargewicht door titelverdediger Max Diekmann binnen dertig seconden tot opgave te dwingen. In juni 1927 werd hij als eerste Duitser Europees kampioen. Zijn spectaculaire carrière maakte hem tot een idool. Hij verdedigde zijn titel in januari 1928 door een snelle knock-out tegen de Italiaan Michele Bonaglia. Het tijdschrift Box-Sport riep hem uit tot een «grootse representant van de Duitse natie» en Der Querschnitt roemde zijn «knock-outrecept».

In de intellectuele kringen van Berlijn was zijn overwinning het gesprek van de dag. Kortner en anderen ervoeren de zege op de door Mussolini bewonderde Italiaan als een zege van de democratie op het fascisme. Toen Schmeling in april 1928 Duits kampioen in het zwaargewicht werd, bevatte het programmaboekje voor het gevecht bijdragen van Brecht, Egon Erwin Kisch en Carl Zuckmayer. Maar niet alleen linkse intellectuelen interesseerden zich voor de bokssport: Adolf Hitler dichtte het boksen bijzondere opvoedkundige eigenschappen toe. In Mein Kampf stelde de toekomstige leider dat iedere jonge Duitser dagelijks twee uur sport moest bedrijven. Vooral het boksen verdiende daarbij aandacht: «Er is geen andere sport die de aanvalsgeest in dezelfde mate stimuleert en het lichaam tot stalen lenigheid opvoedt.»

Intussen lonkte Amerika naar Schmeling. Hij ging er eind 1928 op trainingskamp en nam een Amerikaanse manager in de arm: Joe Jacobs, een jood. Met Jacobs begon Schmeling aan zijn opmars in de Verenigde Staten. Vanwege zijn goede resultaten werd hij gekandideerd voor de vacante wereldtitel zwaargewicht. In juni 1930 vocht hij om die titel tegen de Amerikaan Jack Sharkey, die werd gediskwalificeerd wegens een ongeoorloofde slag. Schmeling won als eerste niet-Amerikaan de wereldtitel, maar niet de harten van het publiek. De Amerikaanse pers meende dat Sharkey de betere was en bezorgde Schmeling de reputatie van een onterechte kampioen.

De Duitse nationalistische sportpers schaamde zich voor de wijze waarop Schmeling gewonnen had. Door een overtuigende knock-outzege op de Amerikaanse topper Young Stribling in juli 1931 behield hij zijn titel en (her)won hij de erkenning van pers en publiek. Een jaar later verloor hij zijn titel aan Sharkey. Ook dit treffen had een dubieuze uitkomst: Sharkey won op punten hoewel Schmeling leek te domineren. Schmeling bleef een volksheld in Duitsland. Daarvan hoopten de nazi’s te kunnen profiteren. Boksen kreeg van hen een centrale taak in de volksopvoeding toebedeeld. Goede vechters maken goede soldaten, aldus Hitler, die boksles op alle scholen instelde. Een voorbeeld als Schmeling kon hij goed gebruiken bij het promoten van de sport onder de jeugd.

Schmeling verloor echter kort na de machtsovername van 1933 uitgerekend van Max Baer, een Amerikaanse varkensfokkerszoon die beweerde jood te zijn. Baer kondigde aan dat iedere rechtse tegen Schmeling er een tegen Hitler zou zijn. Tot overmaat van ramp sloeg hij Schmeling bovendien knock-out. Na deze vernedering dachten veel bokskenners dat de Hamburger over zijn hoogtepunt heen was. De nazi’s waren niet geïnteresseerd in verliezers en zeker niet in iemand die van een jood verloor.

Dat veranderde pas na zijn zege op Joe Louis in juni 1936. Louis was een nieuwe zwarte held. Hij had in korte tijd de wereldtop bereikt en gold als onverslaanbaar. Schmeling was de eerste die hem versloeg en wel door een knock-out. De nazi’s zagen de propagandistische waarde van deze sensationele zege, die meteen werd opgevoerd als bewijs voor de rassentheorie. Schmeling kreeg een heldenontvangst en Hitler nodigde hem uit op de Rijkskanselarij, waar hij namens het gehele Duitse volk zijn dank uitsprak. In kranten verschenen foto’s van Schmelings echtgenote die bij de familie Goebbels naar de radio luisterde. De filmregistratie van het gevecht werd, voorzien van een propagandistische inleiding, vertoond onder de titel Max Schmelings Sieg – Ein deutscher Sieg.

Veel boksers werden in deze jaren gepolitiseerd: zij stonden gewild of ongewild symbool voor ideologieën of etnische groepen. Zo werd de wedstrijd tussen Louis en de Italiaan Primo Carnera in 1935 beschouwd als een kleine Abessijnse Oorlog. Louis’ zege werd uitgelegd als de overwinning van een geheel ras op zijn agressor. Schmeling, voorheen een symbool van democratie, werd nu geheel met het nationaal-socialisme vereenzelvigd. Joodse organisaties in de VS riepen op tot een boycot van zijn wedstrijden. Als reactie stelde Schmeling dat de situatie van de joden niet zo slecht was, waardoor hij overkwam als een apologeet van het nazi-regime.

Maar Schmeling was geen nazi en geloofde niet in de rassenleer. Hij voelde zich wel vereerd door alle aandacht uit de politieke top – net zo als hij in de Weimar-jaren vereerd was door de avances uit het intellectuele milieu. Hij distantieerde zich nooit in het openbaar van het regime, maar trad ook nooit als woordvoerder op. Hij liet zich door de nazi’s gebruiken. Zolang hij meewerkte aan de persoonscultus en het regime niet in het openbaar afviel, genoten hij en zijn familie een bevoorrechte positie en hoefde hij niet te vrezen voor terreur. Tegelijkertijd maakte hij geen geheim van zijn vriendschappen met joden.

Nadat Schmeling in Nederland enkele joodse emigranten bezocht had, verweet Joseph Goebbels hem: «U bekommert zich niet om de wet! U bezoekt de Führer, u bezoekt mij, en toch verkeert u voortdurend met joden.» Vooral zijn joodse manager was een doorn in het oog. Reichssportführer Hans von Tschammer und Osten drong aan op het beëindigen van de relatie met Jacobs. Schmeling weigerde echter afstand te doen van zijn manager en vriend. Tijdens de Reichskristallnacht van november 1938 verstopte hij de twee zoons van David Lewin, een bevriende jood, enkele dagen in zijn hotelkamer. Zij konden ontkomen en Duitsland ontvluchten.

In de aanloop naar het titelgevecht met Louis in 1938 leed Schmelings imago in de VS toenemend onder de berichtgeving over Hitler-Duitsland: de steeds verder gaande onderdrukking van joden en andere minderheden; de gedwongen Anschluß van Oostenrijk, het begin van de agitatie rond de Sudeten-Duitsers in Tsjechoslowakije. Bij zijn aankomst in New York voelde Schmeling de toegenomen spanning. Op de pier werd gedemonstreerd, voor zijn hotel werd opgeroepen «Nazi-Schmeling» te boycotten en hij ontving dreigbrieven. De vernedering van Schmeling door Louis werd door veel tegenstanders van de nazi’s dan ook uitbundig gevierd. De nederlaag maakte de rassentheorie belachelijk, schreef een Duitse emigrantenkrant. «Hitlers racisme knock-out», kopte een Argentijnse krant.

In Duitsland, waar miljoenen tot diep in de nacht opbleven om het gevecht te volgen, heerste ongeloof. Meteen nam het regime afstand van Schmeling: zijn verlies mocht het Duitse prestige niet schaden. Goebbels dicteerde: «Schmeling is niet Duitsland.» Het was afgelopen met de cultus rond Schmeling. Hij viel niet in ongenade, maar verkeerde ook niet meer in de kringen rond Hitler.

Nog één maal werd Schmeling voor propagandadoeleinden ingezet, namelijk toen hij zich aan het begin van de Tweede Wereldoorlog als parachutespringer bij de Wehrmacht meldde. Hij vocht in 1941 op Kreta waar hij gewond raakte. Later tourde hij met boksdemonstraties voor de troepen door het bezette Europa. In 1943 werd hij vanwege zijn verwondingen uit de Wehrmacht ontslagen.

Ook voor Schmeling was 1945 een Stunde Null. Van zijn vermogen was weinig meer over. Het Pommerse landgoed waarin hij zijn kapitaal geïnvesteerd had, ging door de grensverlegging verloren; het lag voortaan in Polen. Om geld te verdienen ging Schmeling weer boksen, maar zijn oude niveau haalde hij niet. Hij zette een pluimveebedrijf op en kreeg in 1952 via een Amerikaanse connectie de West-Duitse distributie van Coca-Cola in handen. Hij ontpopte zich nu als succesvol zakenman en werd steenrijk: een exponent van de economische wederopstanding in de Bondsrepubliek.

In 1987 overleed zijn echtgenote, de actrice Anny Ondra. In de jaren dertig golden Schmeling en Ondra als het Duitse glamourpaar bij uitstek. Zij waren ook een modelpaar: hun – althans voor de buitenwereld – vlekkeloze huwelijk duurde bijna 54 jaar.

Over zijn heldendaad tijdens de Reichskristallnacht heeft Schmeling altijd gezwegen. Eind 1989 onthulde Henri Lewin, hoteleigenaar te Las Vegas, dat Schmeling in 1938 zijn leven en dat van zijn broer gered had. Schmeling werd de belichaming van de «goede Duitser», een bewijs van het bestaan van medemenselijkheid onder het nationaal-socialisme. Na Schmelings dood sprak minister Otto Schily van Binnenlandse Zaken op de herdenkingsplechtigheid: «Met zijn dood heeft de poort tot de twintigste eeuw zich een stuk verder gesloten.»=Max Schmeling 2 februari 2005.

Hidde van der Wall studeert geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam