Links is blind voor de groeiende ongelijkheid

Het is een van de electorale raadsels van deze tijd: waarom zijn de sociaal-democraten zo ver weggezakt in de kiezersgunst? Juist nu de strijd tegen de ongelijkheid, hun ideologische alfa en omega, als gevolg van het dolgedraaide kapitalisme politiek van de hoogste urgentie is – ‘the defining challenge of our time’, volgens Barack Obama – weten ze op een incidentele uitschieter na de kiezers maar niet echt te overtuigen.

Het verhaal van Brigitte de Waal biedt een deel van de verklaring. Tot ze er de brui aan gaf, was zij een van de werknemers die ondervonden wat de aanbesteding van publieke diensten in de dagelijkse praktijk van hun werk heeft aangericht. Sinds de gemeente het schoonmaakwerk in de scholen uitbesteedde aan een commercieel bedrijf had De Waal niet meer tien minuten, maar afgeklokt één minuut en dertig seconden om een lokaal schoon te maken. Godsonmogelijk, en daarom had zij de opdracht ‘resultaatgericht’ te reinigen, een eufemisme voor snel de bezem erdoorheen. Ze ervoer deze degradatie van haar werk als een vernedering: eer viel er niet aan te behalen.

In zijn nieuwe boek De tirannie van verdienste: Over de toekomst van de democratie analyseert Michael Sandel, hoogleraar politieke wetenschappen aan Harvard, hoe linkse politici een blinde vlek hebben ontwikkeld voor de groeiende ongelijkheid tussen de winnaars en de verliezers op de arbeidsmarkt. De winnaars zijn degenen die van geld nog meer geld weten te maken, met op de eerste rij degenen die hun vernuft aanwenden voor lucratieve financiële constructies. De verliezers zijn de mensen met werk waarvan de waarde niet direct is te calculeren in een rekensom van kosten en opbrengsten.

Rancune over het werk ligt aan de basis van de populistische reactie

Zo is volgens Sandel een steeds wijdere kloof ontstaan, zowel in beloning als in maatschappelijke status, tussen werk dat vanwege z’n winstgevendheid goed in de markt ligt en werk dat zijn waarde aan andere verdiensten dan economisch nut ontleent, zoals dat van Brigitte de Waal of dat van werkers in de zorg, de kunsten, het onderwijs of de geesteswetenschappen.

Werk dat goed is voor de economie of voor het eigen inkomen is nog niet als vanzelf weldadig voor het maatschappelijk welzijn, betoogt Sandel, integendeel. In de sociaal-democratische traditie is het kenmerk van een fatsoenlijke arbeidsorde dat beide tellen: zowel werk dat mensen van materiële zorgen verlost als werk dat het welzijn bevordert. Zo bezien schiet de sociaal-democratie uit haar eigen spoor als zij geen weerwerk biedt aan het ontstaan van een arbeidsmarkt die zich laat opdelen in winnaars en verliezers in de strijd om status en inkomen. Dat heeft ook politieke repercussies: de ongelijkheid die daaruit voortkomt is vruchtbare bodem voor politiek die zich voedt met gevoelens van miskenning, verbittering en wrok.

Rancune over het werk ligt volgens Sandel dan ook aan de basis van de populistische reactie, zowel in de VS als in Europa. Ook Casper Thomas zoekt hier het antwoord op de vraag waarom werkend Amerika de Democraten de rug toekeerde ten gunste van een frauduleuze vastgoedmiljonair.

‘Het sociaal-democratisch project is niet voltooid, maar eerder in levensgevaar’, schreef pvda’er Thijs Wöltgens in 1996 in De nee-zeggers. In de ideologische verwarring waarin zij verkeerde na de val van de Muur, zo vreesde hij, zou de sociaal-democratie zich weleens kunnen laten meeslepen door het neoliberale marktdenken. Zijn vrees was terecht: de pvda werkte mee aan de overdracht van publieke diensten aan de markt. Dat lot trof ook taken die de overheid eerder bewust van marktwerking vrijwaarde omdat hun betekenis voor de samenleving in andere waarden dan economisch nut schuilt, zoals affectie (zorg) of creativiteit (cultuur).

De Wiardi Beckmanstichting analyseerde deze ontsporing van de sociaal-democratie al in 2013, in het rapport Van waarde. Het verhaal van Brigitte de Waal is daaraan ontleend. In de bureaula waarin de pvda-top dat rapport destijds wegstopte, ligt voor Lodewijk Asscher dus nuttig leeswerk klaar nu zich in de politiek een rehabilitatie van de overheid lijkt te voltrekken als onmisbare factor in de regulering van de maatschappij.