Verkiezingsstrijd

Links, rechts of radicaal rechts

De uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen bevestigt dat politiek Nederland is versnipperd. Toch gaat het bij de stembusgang in juni om het kiezen uit drie hoofdstromingen. Dat kan de kiezer helpen bij zijn keuze: in wat voor land wil ik leven?

De opmerking dat het Nederlandse politieke landschap versnipperd is geraakt, is in de nasleep van de gemeenteraadsverkiezingen veelvuldig gemaakt, in de media en in de wandelgangen van de Tweede Kamer. Meestal ging dat gepaard met ongerustheid over de dreigende onregeerbaarheid van het land. Af en toe kwam daar ook de oproep bij om om die reden de komende verkiezingsstrijd niet hard en op de persoon te spelen, omdat dit de noodzakelijke samenwerking die de partijen na 9 juni te wachten staat onmogelijk kan maken en de regeerbaarheid nog eens extra kan bemoeilijken. Eerst elkaar tot op het bot afmaken is niet bevorderlijk voor het elkaar kunnen vertrouwen daarna. Laat staan dat dit goed is voor de geloofwaardigheid bij de kiezer. Deze moet dan toezien hoe aartsrivalen uit de verkiezingsstrijd uiteindelijk toch weer met elkaar gaan regeren.
Die zorg en oproep tot zorgvuldigheid in het debat hier herhalen is niet overbodig. Toch valt er ook iets anders waar te nemen in de politieke delta dan alleen de vele vertakkingen: je kunt ook constateren dat er drie hoofdstromen zijn. Misschien dat de kiezers daar op 9 juni houvast aan hebben.
Eerst een beeld van de versnippering. Met de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen van vorige week in Den Haag is die goed te illustreren. In de hofstad zijn de 45 raadszetels de komende vier jaar verdeeld over twaalf partijen. Dat zijn er drie meer dan de afgelopen jaren en vier meer dan de raadsperiode daarvoor.
Door deze versnippering moeten vier van die twaalf partijen in de Haagse raad het doen met één zetel en twee partijen met twee zetels. Dat zijn zes partijen die met weinig mankracht een college van burgemeester en wethouders moeten controleren. Dat college heeft echter steeds meer taken toegeschoven gekregen, hetgeen ook steeds meer eisen stelt aan de kennis en vaardigheden binnen een raadsfractie.
Van de overige zes partijen in de Haagse gemeenteraad komen er naar alle waarschijnlijkheid vier in het college: pvda, vvd, d66 en GroenLinks. Dat is één partij meer dan voorheen, noodzakelijk om een stadsbestuur te kunnen vormen dat kan steunen op een raadsmeerderheid.
Blijven er twee partijen over die met enige kracht oppositie kunnen voeren. De grootste daarvan is ook de grote winnaar van vorige week: de pvv die in één klap acht zetels haalde en al liet weten het Haags gemeentebestuur helemaal gek te willen gaan maken. De andere partij is een van de verliezers van vorige week, het cda, dat zakte van vijf naar drie zetels. Ook geen aantal waar je een vuist mee kunt maken.
De Haagse gemeenteraad mag een mooi voorbeeld zijn van de vele vertakkingen in de Nederlandse politieke delta, de vraag is of de uitslag ook exemplarisch zal blijken voor de uitkomst van de landelijke verkiezingen waar het de grootte van de politieke partijen betreft.
De pvda zou het wel willen, want dan wordt ze ondanks een fors verlies toch de grootste partij, en wie had dat een paar maanden geleden durven denken. Aan de stad Den Haag trekken de sociaal-democraten zich dezer dagen dan ook graag op, liever dan aan Almere, waar ze de pvv voor moesten laten gaan.
Onder het motto ‘we hadden erger verwacht’ positioneerden de sociaal-democraten zich vorige week woensdag onmiddellijk als overwinnaar. Het was een draai van de spindoctors die inmiddels iedere pvda'er tot de zijne lijkt te hebben gemaakt. Dat heeft een positieve stemming in de partij tot gevolg die op zichzelf weer van invloed kan zijn op de uitslag. Winnaars zijn altijd aantrekkelijker dan verliezers.
De vvd vreest daarentegen een herhaling van Den Haag, want dan zou blijken dat de ontevreden autochtone kiezer het origineel van radicaal rechts, de pvv, verkiest boven het 'slappe’ aftreksel dat de vvd van zichzelf aan het maken is. Dan is het niet langer 'Vandalen gaan betalen’, zoals het op een vvd-affiche staat, maar wordt het 'Liberalen gaan betalen’.
De vvd verwijst daarom juist liever wél naar Almere. Daar bleef de vvd woensdag in grootte gelijk. Dat zou te danken zijn aan de lijsttrekker, voormalig Tweede-Kamerlid Arno Visser. Waarmee de liberalen willen zeggen dat het poppetje van de lijsttrekker wel degelijk van invloed is, en partijleider Mark Rutte doet het beter dan voorheen. Maar daarmee zijn ze even vergeten dat ook in Almere de pvv groter is geworden dan de vvd. Zoals een lokale Haagse pvda'er zei: 'De vvd maakt de fout die wij ook hebben gemaakt, ze schuift te veel op naar de standpunten van de pvv in plaats van een eigen koers te varen. De mensen kiezen toch voor het origineel.’
Ook het cda moet er niet aan denken dat de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen in Den Haag de uitslag van de Kamerverkiezingen voorspelt. Dan kan het voor het eerst in zeven jaar niet meer de moed erin houden door te roepen dat het wel de grootste partij is geworden. In de afgelopen jaren was dat telkens de toverformule als het cda weer eens had verloren.
Om nu, zo vlak voor de landelijke verkiezingen, niet in de put te raken, wijst het cda erop dat de partij het in de provincie beter doet dan in de grote steden. Bovendien zal volgens het cda menige kiezer die vorige week op een lokale partij heeft gestemd straks terugkeren naar het cda. Ook blijft de partij ondanks haar vier mislukte kabinetten mikken op de premierbonus van lijsttrekker Jan Peter Balkenende.
Als 3 maart in Den Haag voorspellende waarde heeft voor de landelijke verkiezingen dan is dat ook niet best voor de sp. Ook die verliest dan kiezers, aan de pvv. Verder zal d66 dan moeten accepteren dat partijleider Alexander Pechtold te vroeg heeft gepiekt. Samen met GroenLinks zal d66 tevens moeten erkennen dat de kiezer wel degelijk invloed wil hebben op de poppetjes die aan de macht komen en daarom kan besluiten op een potentiële premier te stemmen.
Dat was afgelopen week de veelgehoorde klacht: dat de verkiezingsstrijd voor het parlement direct is verengd tot een strijd tussen de poppetjes Balkenende, Wouter Bos en Geert Wilders. Die poppetjesstrijd zou onrecht doen aan waar het bij de verkiezingen om gaat, de samenstelling van de Tweede Kamer. Formeel klopt dat. Maar in de praktijk wil een deel van de Nederlandse kiezers niet alleen voor een partij kiezen die zijn idealen het allerbest vertegenwoordigt in het parlement, maar met zijn stem ook zoveel mogelijk invloed hebben op de samenstelling van het kabinet. Het combineren van die twee in één partij, idealen en daadwerkelijke macht, is in het Nederlandse meerpartijenstelsel moeilijk. Het kan de kiezer doen besluiten zijn stem te geven aan die partij die zijn idealen het dichtst benaderd en die tegelijkertijd groot genoeg zou kunnen worden om aan zet te zijn bij het verdelen van de macht. Dat verengt zich dan al gauw tot de leider van zo'n partij, die maakt immers de meeste kans bij de coalitieonderhandelingen het voortouw te mogen nemen en premier te worden.
Bij de komende verkiezingen kan die keuze, voor velen mogelijk dit dilemma, een belangrijke rol spelen. Zeker nu er, sterker dan vier of zeven jaar geleden, ondanks de versnippering van het politieke landschap wel degelijk te kiezen valt uit drie idealen voor drie soorten Nederland. Je kunt die stromingen benoemen als links, rechts en radicaal rechts, met als poppetjes Bos, Balkenende en Wilders, of de andere partijen en hun poppetjes dat leuk vinden of niet.
Links staat voor een terugkeer naar een invloedrijke overheid die de ontspoorde markt onder streng toezicht zet, de marktwerking in de publieke sector een halt toeroept, ervoor zorgt dat iedereen in de maatschappij meedoet, bij de lastenverdeling de rijkeren relatief zwaarder aanslaat en bij het vinden van de 35 miljard euro aan hervormingen niet direct morgen al wil snijden in de overheidsuitgaven.
Rechts blijft in dit schema ondanks het failliet van het neoliberalisme vertrouwen op de vrije markt, legt veel verantwoordelijkheid bij de burger, wil liefst snel bezuinigen en daarnaast ook ruimte maken voor lastenverlichtingen.
Is deze polarisatie tussen links en rechts weer als vanouds, met als hoofdthema’s het denken over de rol van de staat en over sociaal-economische thema’s, daarnaast is er een nieuwe vorm van polarisatie, onder invloed van de derde stroming: rechts radicaal. Die polariseert op basis van geloof, met de islam en zijn aanhangers waar men zich tegen afzet. Die polarisatie zet bevolkingsgroepen tegen elkaar op en is daarmee van een andere orde dan de traditionele.
Wie dat een gruwel is, kan het best op links stemmen, dan is de kans het grootst dat de directe of indirecte invloed van de pvv het kleinst wordt, zeker nu de pvda - net als veel eerder d66, GroenLinks en de sp - de partij van Wilders uitsluit. Maar op welke partij aan de linkerkant? Daar doemt het dilemma op. De pvda maakt ondanks het verlies van vorige week maar gezien de resultaten uit het verleden de meeste kans het cda en de pvv als grootste partij te bedreigen. Niet de sp en niet GroenLinks, ook al zijn er uiteraard de kleine lettertjes.
Wil links na 9 juni aan zet zijn bij coalitieonderhandelingen, dan zal dus op z'n minst de pvda de grootste partij moeten worden. Als daarvoor echter GroenLinks en in mindere mate de sp moeten worden leeggevist, zet dat geen zoden aan de dijk, want links moet ook nog in zijn geheel de grootste stroming worden.
Vandaar dat de pvda vooral aast op kiezers die voorheen cda stemden, maar die partij nu onvoldoende afstand vinden nemen van de pvv en ook onvoldaan zijn met de meer marktgerichte koers van die partij. Als deze kiezers hun sociale hart beter door de pvda vertegenwoordigd weten, vergroot dat de linkse vijver. De sociaal-democraten hopen daarnaast dat d66 zich niet al te veel tegen hen gaat afzetten. d66 moet op sociaal-economische thema’s vooral aan de rechterkant blijven opereren. Dat maakt die partij aantrekkelijk voor liberalen die zich niet meer thuis voelen bij de vvd. De beoogde coalitiepartner van het cda, de vvd, wordt dan kleiner, zodat de kern van het rechtse blok - cda en vvd - ook om die reden slinkt.
Spiegelbeeldig hoopt het cda uiteraard het omgekeerde. Dat zijn achterban gruwt van links en lastenverzwaringen, dat de vvd met zijn ruk naar rechts potentiële pvv-stemmers lokt en dat d66 voor kiezers met een naar links neigend hart toch een moderner alternatief is.
En rechts radicaal? Dat wakkert vooral de onvrede aan. Om vervolgens net als in de stad Den Haag geen bestuursverantwoordelijkheid te willen dragen vóór alle hoofddoekjes af zijn.