Brendan O’Neill, een proletarische oproerkraaier

‘Links verkwanselt oude progressieve idealen’

De Conservatieve Partij van Theresa May neemt het op voor de arbeidersklasse. Pardon? Volgens Brendan O’Neill opnieuw een teken dat links onherkenbaar en stuurloos is geworden. Maar er is hoop: ‘Aanstoot geven is de motor van vooruitgang.’ door Marco Visscher

Medium hh 57293335

Links heeft het zwaar in Europa. De tijdgeest is voor het hardvochtige, berekenende wereldbeeld van rechts, dat nog eerder wordt bedreigd door de extreme variant daarvan dan door een progressieve, sociale tegenhanger. Vraagstukken rondom terrorisme en vluchtelingen zorgen ervoor dat het politieke midden opschuift naar rechts – toch al geen onbekende beweging in de afgelopen decennia. In de ogen van het publiek is links vereenzelvigd met de gevestigde orde: een politiek correcte eliteclub, waar ongelijkheid en andere misstanden wel verbaal worden aangevallen, maar waar het aan de wil en de kracht ontbreekt om werkelijk iets te veranderen.

In die context roert zich een Britse opiniemaker, die vanaf de zijlijn de linkse politiek een nieuwe impuls probeert te geven. Of, liever gezegd: een oude impuls, want volgens Brendan O’Neill is links onherkenbaar en stuurloos geworden, doordat het de oorspronkelijke, revolutionaire idealen over vrijheid en vooruitgang heeft opgegeven.

O’Neill – hoofdredacteur van de opiniesite Spiked, de digitale voortzetting van Living Marxism, het huisorgaan van de ter ziele gegane Revolutionaire Communistische Partij – wijst erop dat het altijd progressief was om zich te onttrekken aan de bemoeienis en het toezicht van de koning, de kerk en de kapitalist. Hoe kan het dan, vraagt hij zich af, dat het vandaag kennelijk links is om een sterke staat te wensen, zelfs een Europese superstaat? En waren het niet de progressieven die altijd hebben gepleit voor groei van de welvaart, zodat hard werkende arbeiders daarvan zouden profiteren? Hoe verhoudt die wens zich tot de modieuze, linkse verhalen over consuminderen en tevreden zijn met wat je hebt?

‘Links stond ooit voor de wens van meer materiële welvaart en de vrijheid om niet te worden beperkt in onze ontwikkeling’, zegt O’Neill tijdens ons gesprek in een Londense pub. En vandaag? ‘Een irrelevant en oninspirerend vat voor slachtoffers en zeurkousen.’

In zijn columns en blogs voor diverse media, van de conservatieve Spectator tot de website van het Vlaamse weekblad Knack, uit O’Neill zijn soms harde, linkse kritiek op links. En op rechts, juist ook nu premier Theresa May haar Conservatieve Partij onlangs opwierp als de natuurlijke bondgenoot van de arbeidersklasse: een claim die hij ‘arrogant’ en ‘spectaculair ongeloofwaardig’ noemt. Door The Telegraph is hij omschreven als ‘een van ’s lands scherpste commentatoren’. En nu probeert hij met zijn eigen Spiked het na-ijlende debat over de Brexit te beïnvloeden. Hoe? Door pal te staan voor de uitslag van het referendum en op te roepen tot een spoedig vertrek uit de Europese Unie.

Huh? De Brexit als links ideaal?!

Jazeker. In de ogen van O’Neill – zwart petje, groot glas cola – vormen de Brexiteers de progressieve voorhoede, níet, zoals de commentatoren graag willen doen geloven, een achterhoede van ongeïnformeerde nationalisten die de overgang naar de 21ste eeuw hebben gemist. ‘De Europese Unie stuurt grote aantallen vluchtelingen de dood in, heeft Griekenland in armoede gestort en legt de vrije meningsuiting aan banden. Ze is tot in de vezels een antidemocratisch instituut, opgezet om de wensen van het volk te omzeilen. En nu staat het volk op tegen deze technocratische oligarch om te zeggen: dit instituut vinden we onacceptabel, wij willen ook iets te zeggen hebben. Dát is voor mij progressief.’

Hij stoort zich aan het beeld dat de _Leave-_stemmers xenofoob zijn – ‘uit alle onderzoeken blijkt dat zorgen om immigratie pas op de tweede of derde plek staan’ – en geen benul hadden wat ze deden toen ze in het stemhokje stonden. Dat ziet hij als typisch antidemocratische retoriek van betweters die alleen in democratie geloven wanneer ze de ‘juiste’ uitslag produceert.

Het zou toch op z’n minst tot gefronste wenkbrauwen moeten leiden, meent O’Neill, dat deze demonstranten steun hebben van het establishment? ‘Duizend advocaten hebben een open brief geschreven om de uitslag van het referendum nietig te verklaren’, zegt O’Neill. ‘Richard Branson en andere kapitalisten gingen met de regering in gesprek over een tweede referendum.’ Tel daarbij op het beroep op het parlement om de wil van het volk naast zich neer te leggen en je hebt volgens O’Neill ‘een uitbarsting van conservatisme’.

Maar wat is er nu zo geweldig aan een Brexit? Waarom ligt er een kans voor links? ‘De EU is opgezet om politiek te onderdrukken, om onbeantwoorde cruciale vragen uit de weg te gaan’, zegt O’Neill. ‘Wie leidt de samenleving? Waarom zijn er nog verschillende klassen? Gewone mensen – heel, heel veel gewone mensen – hebben nu aangegeven dat de geschiedenis niet hoeft voort te sluimeren. Er ís geen “einde van de geschiedenis”. Dát biedt een kans voor links.’

‘Wist je dat Marx het kapitalisme prijst voor de wonderen en de welvaart die het heeft weten te creëren?’

Al binnen enkele weken na het referendum waren er inhoudelijke discussies die tientallen jaren niet meer met zoveel intensiteit zijn gevoerd: over de gevestigde orde versus de arbeidersklasse, over het kosmopolitische Londen versus de arme gebieden in Noord-Engeland. O’Neill: ‘Links moet niet het deksel op dat debat leggen; links moet dit debat juist aanzwengelen.’ Het kan volgens hem de redding van links zijn.

De toespraak waarmee de nieuwe regeringsleider, Theresa May, vorige week opzien baarde, zou O’Neill wellicht geruststellen. Immers, ze erkende dat de arbeidersklasse te lang is genegeerd en beloofde dat de Tories zouden luisteren. Zit de toekomst van links bij de Conservatieven? ‘Yeah, right’, reageert O’Neill. ‘Het idee dat een Conservatieve Partij kan meewerken aan de roep om de status-quo omver te werpen, is simpelweg bizar. De Tories zuigen de ware betekenis van de Brexit eruit. Ze doen alsof de mensen die voor de Brexit hebben gestemd een therapeutische behoefte hebben om gehoord te worden, maar het tegendeel is waar: zij willen onafhankelijkheid. Ze zeiden niet: luister alstublieft naar ons. Ze zeiden: laat ons met rust.’

Er is weinig voor nodig om Brendan O’Neill aan het praten te krijgen, maar begin over de tragische teloorgang van links en hij houdt helemaal niet meer op. Hij ontwaart drie hoofdlijnen waardoor volgens hem duidelijk wordt dat links is afgedwaald en nog maar weinig aanspreekt.

Ten eerste heeft links zich vervreemd van de universele, humanistische wortels, die teruggaan tot de Verlichting, waarin de intellectuele basis werd gelegd voor verzet tegen traditionele autoriteit. De ruimhartige omarming van identiteitspolitiek – oftewel de constructie van gemeenschappen op biologische basis zoals afkomst, geloof of sekse – is daar een symbool van, meent O’Neill. Zo heeft links zich begraven in een wirwar van verschillen en tegenstellingen tussen mensen, die ooit juist dienden te worden overstegen en die een gezonde interactie met de wereld in de weg staan. ‘Hoe meer we het persoonlijke politiek maken en hoe meer we onze politieke ideeën linken aan onze huidskleur of wat er in onze onderbroek zit, des te meer vatten we iedere kritiek op die ideeën op als een persoonlijke aanval.’

Medium img 0834 5b2 5d

Universalisme is van de kaart verdwenen. Ja, er zijn kosmopolieten (‘poseurs die neerkijken op het volk’) en er zijn neokolonisten (‘de blanken die menen dat etnische minderheden speciale bescherming verdienen, omdat ze niet zouden kunnen omgaan met kritiek’), maar waar is ouderwetse internationale solidariteit? Waar het ‘proletariërs aller landen, verenigt u!’ trots klonk, daar worden vandaag – bijvoorbeeld bij de Socialistische Partij – Nederlandse loodgieters opgezet tegen Poolse loodgieters. En de Europese Unie doet volgens O’Neill vrolijk mee: ‘De EU heeft verdeeldheid gezaaid, met name tussen het schijnbaar beschaafde westen van Europa en het kennelijk grimmige oosten, maar ook tussen het zogenaamd nijvere noorden en het blijkbaar luie zuiden.’

De affichering met universalisme en humanisme brengt O’Neill niet zelden in confrontatie met andere mensen die zichzelf zien als links. Zo is hij voor volledig vrije migratie: een radicaal en eenzaam standpunt dat bovendien weinig politiek haalbaar lijkt. Ook is hij fel tegen het aanzwellende koor van milieubeschermers; zorgen om duurzaamheid beschouwt hij als een aanval op de positie van de mens die hij ‘terecht dominant’ noemt. En, vraagt O’Neill zich af: hoe humanistisch is het om voor legalisering van euthanasie te zijn? ‘Als humanist voel ik empathie voor mensen die een einde aan hun leven willen. Maar als humanist wil ik ook graag zeggen hoe slecht en immoreel het is om zelfmoord te plegen. Het is een verraad aan menselijke waarden.’

Een tweede omslag in het linkse denken zit in de houding ten opzichte van vrijheid. Het waren altijd de revolutionairen die vochten voor vrijheid. Zij wilden vrij zijn van iedere vorm van onderdrukking en hun eigen leven leiden. Dat gold net zo goed voor de adellijken die burgerlijke vrijheden opeisten bij de koning, vele honderden jaren geleden, als voor de arbeiders die onder het juk van de fabriekseigenaar uit wilden komen. O’Neills favoriete citaat uit het werk van Leon Trotski stelt dan ook ‘dat we de macht van de mensen over de natuur moeten vermeerderen en de macht van de mensen over de mensen moeten vernietigen’.

Zet daar de hedendaagse linkse agenda tegenover, waarin de overheid invloed moet hebben op alles, van de woorden die we gebruiken (om niemand te kwetsen) tot wat we eten (om niet te dik te worden). Volgens critici, onder wie O’Neill, werpt de staat zich vaker op als een nanny state: een betuttelende voogd die weet wat goed is voor de burgers. Vandaar dat je in sommige landen expliciete waarschuwingen op pakjes sigaretten ziet of dat fietsers worden verplicht een helm te dragen. O’Neill haalt de Verlichtingsdenker Immanuel Kant aan, die aangaf geen behoefte te hebben aan het leger van experts dat mensen vertelt wat ze wel of niet moeten doen en ons ervan weerhoudt om zelfstandig na te denken en keuzes te maken.

De veranderde houding jegens vrijheid ziet O’Neill terug in de erkenning van het homohuwelijk: een hot topic waardoor hij meer dan een paar vriendschappen heeft verloren. Waar homo’s zich in de jaren zestig nog wilden bevrijden van de maatschappelijke en burgerlijke mores wensen ze zich tegenwoordig juist te conformeren, stelt hij: ‘De opmars van het homohuwelijk heeft een sterkere relatie met de therapiecultuur en de behoefte aan erkenning dan met het ouderwetse ideaal van gelijkheid of de behoefte aan rechten.’ Het homohuwelijk is volgens hem dan ook niet zozeer het resultaat van een _grassroots-_beweging die na jaren van stelselmatige en wettelijke onderdrukking een politiek succes heeft behaald, maar van ‘een politieke elite die de eigen morele superioriteit wil benadrukken en rechten verstrekt om de eigenwaarde van een kennelijk zwakke groep op te poetsen’.

‘Veel dingen waar ik in geloof waren één of twee generaties geleden nog volkomen normaal voor een lefty’

Maar het derde en voornaamste kantelpunt van links betreft economische groei. Het vroegere geloof in materiële vooruitgang is opgegeven. Volgens linkse denkers zijn er allerlei natuurlijke en morele grenzen aan de groei. De aarde kan het niet aan, zeggen ze, als we allemaal een breedbeeldtelevisie hebben of goedkope vliegvakanties boeken. Maar grenzen, zo redeneert O’Neill, zijn op zichzelf een heel conservatief concept; in het verleden zijn die voortdurend opgerekt om meer mogelijk te maken voor meer mensen. Economische groei, hoe afkeurenswaardig het vandaag ook wordt bejegend, was een speerpunt van iemand als Sylvia Pankhurst, die beweerde dat een socialist streeft naar ‘onstuimige rijkdom’ en ‘overvloed voor iedereen’.

O’Neill haalt ook Karl Marx er graag bij. ‘Wist je dat hij in het Communistisch manifest het kapitalisme uitgebreid prijst voor de wonderen en de welvaart die het heeft weten te creëren en verspreiden? Dat de bourgeoisie zoveel meer heeft bereikt dan de Grieken of de Romeinen? Marx sprak lovend over internationale handel, omdat die beschaving heeft gebracht.’

‘En’, vervolgt O’Neill, ‘kijk dan eens naar iemand als Naomi Klein. Zij wil feitelijk liever dat afgelegen gemeenschappen hun leven van armoede en traditie kunnen voortzetten zonder te worden “bedorven” door het kapitalisme.’ Je kunt er nog zo’n mooie draai aan geven – ‘duurzaamheid’, ‘leven in harmonie met de natuur’ of ‘bruto nationaal geluk’ zijn tegenwoordig populair – maar uiteindelijk ziet hij deze omkering als ‘hoogverraad voor al die honderden miljoenen mensen die nog steeds niet kunnen genieten van dezelfde welvaart als wij’.

Voor O’Neill is er maar één conclusie: ‘Links heeft oude progressieve idealen verkwanseld.’

Het is niet verwonderlijk dat Brendan O’Neill wrevel wekt bij mensen die zichzelf links noemen. Sommigen hebben gesuggereerd dat hij zich laat betalen door ‘de industrie’. O’Neill troost zich met de gedachte dat andere proletarische oproerkraaiers, zoals Trotski die de sovjetdroom van Stalin bekritiseerde, er ook al van werden beschuldigd te zijn ingekapseld door Big Oil of door het foute Amerika: ‘Zo’n beschimping is een oeroude, goedkope truc.’

Anderen, onder wie George Monbiot, de invloedrijke schrijver annex politiek en ecologisch activist, hebben hem afgedaan als een ‘proletarische oproerkraaier’: iemand die alles roept om maar aandacht te krijgen. Bij The Guardian hebben ze een ziekte naar hem vernoemd: de ‘Ziekte van Brendan O’Neill’ slaat op de ziekelijke aandrift om almaar tegen de heersende opinie in te gaan.

De patiënt zelf heeft een andere verklaring voor de ergernis. ‘Ik denk graag’, begint hij, voor het eerst zoekend naar de juiste woorden, ‘dat ik mijn vijanden eraan herinner wat het werkelijk betekent om links te zijn. Linkse mensen praten graag met andere linkse mensen over hoe slecht die rechtse lui zijn. Dat geeft ze een goed gevoel. Maar het wordt ongemakkelijk voor hen wanneer ze worden geconfronteerd met kritiek die volgens mij vanuit het juiste linkse standpunt komt. Dat vinden ze niet fijn.’

‘Veel dingen waar ik in geloof’, vervolgt hij, ‘waren één of twee generaties geleden nog volkomen normaal voor een lefty. De bandbreedte van wat vandaag acceptabel is om te denken, is gekrompen. Dus wie, zoals ik, aan de linkerkant van het politieke spectrum is blijven staan, kan tegenwoordig als een extremist worden gezien, louter omdat alle anderen zich steeds meer rond het midden scharen.’

Het debat moet volgens hem dan ook flink worden opgerekt. Daarbij hoort dat we opnieuw moeten leren discussiëren: luisteren naar elkaar en onze mening formuleren op basis van argumenten. ‘We zijn het vermogen verloren om het met elkaar oneens te zijn, het verschil uit te leggen en steun te verwerven voor ons eigen standpunt’, zegt O’Neill. ‘In plaats daarvan zeggen we: wat een onzin!, hoe durf je dat te zeggen? We komen niet met argumenten, maar we reageren hysterisch op elkaar, alsof we geen volwassenen zijn.’

En ja, dat betekent dat sommigen van ons even zullen moeten slikken. Want als we onze ‘verplichting om te schofferen’ serieus nemen – zoals verwoord in de titel van zijn recente verzameling essays en columns: A Duty to Offend – zullen we anderen aanstoot geven. Maar, zoals hij beweert: ‘Zo ongeveer iedere vrijheid waarover we beschikken, is het gevolg van mensen die de heersende opinie van hun tijd hebben betwijfeld en aldus aanstoot hebben gegeven.’

Het bevalt O’Neill niets dat er groepen zijn, zoals feministen en antiracisten, die hun ideologische tegenstanders willen bestrijden door ze net zo monddood te maken als lutheranen, atheïsten en homo’s ooit monddood werden gemaakt. ‘Vrije meningsuiting is de kern van progressieve politiek’, stelt O’Neill, die er graag op wijst dat de jonge Marx – wie anders? – een felle pennenstrijd voerde met de Pruisische staatscensuur over het belang van een vrije pers. ‘Aanstoot geven is de motor van vooruitgang.’

En als het aan hem ligt, zal het vrije debat ook de motor zijn om links weer op het juiste pad te krijgen. ‘Mensen hebben van oudsher de drang om te schoppen tegen de natuurlijke, gevestigde orde. Door dat vrij te kunnen doen, hebben ze de mensheid vooruit gestuwd – en dat is precies wat links zou moeten doen.’


Beeld:Sunderland, Verenigd Koninkrijk, juni. De inwoners van deze verpauperde scheepsbouwstad stemden massaal voor de Brexit (Adam Ferguson / The New York Times Syndication / HH); (2) (Spiked)