H.J.A. Hofland

Linkse haviken

‘Als onze politieke leiders militairen waren geweest, zouden ze voor de krijgsraad zijn gebracht’, zei luitenant-generaal b.d. Ricardo Sanchez. Hij kan het weten. Van juni 2003 (nadat president Bush het einde van de ‘major operations’ had aangekondigd) tot een jaar later is hij opperbevelhebber van de coalitietroepen in Irak geweest. Jammer dat hij zijn conclusie niet eerder openbaar heeft gemaakt. Maar aan de andere kant: dat was dan veel moeilijker geweest, want ook een mislukking heeft tijd nodig om te groeien. In dit geval, weer volgens de generaal, tot een ‘nachtmerrie zonder einde’. Ook de ‘surge’ van Bush, het sturen van dertigduizend man extra aan het begin van dit jaar (tegen het advies van de commissie Baker in), is mislukt. Weggaan kan niet, en door te blijven worden de problemen niet opgelost. De Iraakse politieke elite is onbekwaam en corrupt en na het vertrek van de Amerikanen zou de burgeroorlog waarschijnlijk nog verder oplaaien.

De ramp heeft nu het stadium bereikt waarin ook degenen die voorstander van de oorlog waren, naar de schuldigen gaan zoeken. Onder de Irakezen zelf leidt dat tot tragische gewetensconflicten. Een verslaggever van The New York Times, Dexter Filkins, heeft een aantal van hen bij elkaar gebracht. Een van de grote voorstanders van de oorlog was destijds Kanan Mikaya, schrijver van Republic of Fear en Cruelty and Silence, verschenen in respectievelijk 1989 en 1991. Hij laat er geen misverstand over bestaan. Saddam Hoessein was een van de wreedste dictators van na de Tweede Wereldoorlog. En de internationale gemeenschap heeft, afgezien van plichtmatige protesten, niets tegen zijn terreur gedaan, tot hij zich van Koeweit meester maakte. Nadat door een coalitie, gevormd door president Bush sr., deze verovering ongedaan was gemaakt, werd zijn regime door containment in bedwang gehouden, wat hem niet verhinderde zijn binnenlands schrikbewind voort te zetten.

Ook in 2003 was dat een reden om Saddam met geweld af te zetten. En nu? vraagt Mikaya zich af. Hoeveel levens heeft dat intussen gekost? Tweehonderdduizend? Vijfhonderdduizend? Er zijn geen betrouwbare schattingen meer. Mikaya en zijn medestanders zitten met een kwellend schuldgevoel waarvan niemand ze kan verlossen. Nee, vervuld te zijn van de beste bedoelingen en dan langzamerhand te moeten ontdekken dat je mede verantwoordelijk bent geworden voor een zo grote catastrofe, is tragisch.

Min of meer in hetzelfde schuitje zitten de linkse haviken, de ‘liberal hawks’ zoals Tony Judt ze noemt in zijn beschouwing in de International Herald Tribune (9 oktober). Moedige mensen, boven alle twijfel verheven, zoals Adam Michnik en Vaclav Havel die als dissident in de Koude Oorlog hun sporen hebben verdiend. Ook in Nederland waren er een jaar of vijf geleden dergelijke voorstanders: Mient Jan Faber, Harry Mulisch, Paul Scheffer. De Amerikaanse haviken die Judt bedoelt, zien niet in dat ze zich vergist hebben, zo grondig als iemand zich vergissen kan. Ze geven er een draai aan. Onder het leiderschap van Bush is de onderneming mislukt. Maar zelfs als daardoor de oorlog een fout is, dan is het een dappere en een moreel goede fout. We hadden het recht deze fout te maken. Het verschil tussen de interventies in Bosnië en Kosovo en die in Irak is dat eerstgenoemde goed waren georganiseerd. ‘We hadden gelijk dat we het bij het verkeerde eind hadden’, zo vat Judt dit standpunt samen. Ik noem het een schoolvoorbeeld van jezuïtisme.

Natuurlijk had de aanval op Irak ook een moreel motief. Dat de massavernietigingswapens, de leugens daarover, een belangrijker rol gingen spelen, tast het morele doel op zichzelf niet aan. Maar dat is het probleem niet. Het gaat erom of uitsluitend met een oorlog het morele doel kan worden bereikt. Onlosmakelijk daarmee verbonden is de grote praktische vraag: ten koste van hoeveel mensenlevens is dit doel haalbaar? De Koude Oorlog was een strijd op leven en dood tussen twee machtsblokken. Meermalen, in de Berlijnse crisis, de Hongaarse opstand, de Cubacrisis, is er een grote kans geweest dat naar de wapens zou worden gegrepen. Maar daar was dan nog altijd de redding door de diplomatie. Eind jaren tachtig zei president Reagan: ‘De Sovjet-Unie is zojuist ontmaskerd als het Rijk van het Kwaad. Het bombarderen kan beginnen.’ Hij maakte een grapje. En hij vond Gorbatsjov tegenover zich.

Begin 2003 was het nog mogelijk geweest de ramp van Irak te vermijden door een voortgezette politiek van containment. De neoconservatieven in Washington hebben dat bewust geweigerd. Zonder zich te verdiepen in het zwarte scenario hebben ze zich in de preventieve oorlog gestort. Daarom zijn ze medeschuldig aan de gevolgen. Generaal Sanchez heeft gelijk.