Profiel: Noam Chomsky

Linkse technocraat

In de dagen na 11 september hadden twee vooraanstaande Amerikaanse intellectuelen het lef «ongepast» te reageren en de toorn van de grote media, het policy establishment, de zogenaamd onafhankelijke denktanks en niet te vergeten hun eigen buren, vrienden, collega’s en familieleden over zich af te roepen. Wie de eerste was, behoeft eigenlijk geen betoog.

Met de vanzelfsprekendheid die aanhangers en tegenstanders van hem gewend zijn, meldde Noam Chomsky, hoogleraar taalkunde en filosofie aan het Massachusetts Institute of Technology (MIT), zich binnen twee dagen met een relativerende verklaring. «De terroristische aanval was een afschuwelijke misdaad. Qua omvang is hij misschien niet vergelijkbaar met vele andere, bijvoorbeeld Clintons ongerechtvaardigde bombardement van Soedan (in 1998 — ab) waarbij de helft van de farmaceutische voorraden van het land werden vernietigd en een onbekend aantal inwoners vermoord (niemand weet hoeveel, want de VS saboteerden een onderzoek door de Verenigde Naties en niemand dringt er meer op aan). Om maar te zwijgen van de veel ernstiger gevallen die voor het oprapen liggen. Hij is wellicht een vernietigende slag voor de Palestijnen en andere arme, onderdrukte volken en zal waarschijnlijk aanleiding zijn voor onmenselijke veiligheidsmaatregelen. Deze misdaad is een geschenk voor de oorlogszuchtige rechtervleugel en de reacties van de VS zullen mogelijk meer van zulke misdaden, of nog ergere, uitlokken.»

De tweede was columnist Susan Sontag, die op 24 september in The New Yorker een belangrijke kanttekening maakte bij de standaardformule die de kapers als «lafaards» afschilderde. De kern van de zaak was nu juist, schreef Sontag, dat ze met voorbedachten rade hun leven hadden gegeven om de VS in het hart te treffen: «Als het aankomt op moed (een moreel neutrale deugd): wat je ook kunt zeggen van de daders van de slachtpartij van dinsdag, lafaards waren ze niet.» Daarmee opende Sontag het Amerikaanse debat over de vraag waarom de VS kennelijk zo hevig worden gehaat. Chomsky’s verklaringen naar aanleiding van de elfde september (hij heeft er inmiddels ook een uitgebreid pamflet over geschreven) vormden hooguit een bevestiging van bekende oordelen en vooroordelen, niet in de laatste plaats ten aanzien van zijn persoon.

Het is opmerkelijk dat Chomsky vooral buiten de VS doorgaat voor de «stem» van het andere Amerika, aanbeden en geciteerd door linkse intellectuelen van wie de meesten er niet over piekeren hun eigen overheid te onderwerpen aan soortgelijke kritiek. In Frankrijk wordt zelfs nauwelijks meer aan hem gerefereerd sinds hij begin jaren tachtig de Parijse intellectuelen afdeed als een stelletje gefrustreerde stalinisten die hun morele voosheid verdoezelen onder dikke lagen postmoderne retoriek. Toen had hij zich overigens al onmogelijk gemaakt door een voltairiaans voorwoord te schrijven bij een boek van de negationist Robert Faurisson waarin hij diens onvoorwaardelijke recht op vrije meningsuiting verdedigde zonder Faurissons standpunt tot het zijne te maken.

In eigen land gaat hij al sinds het begin van de jaren zeventig door voor «marginaal», zoals zijn vele tegenstanders met graagte constateren. Dat komt niet alleen doordat de grote Amerikaanse media hem praktisch doodzwijgen uit angst voor zijn nonconformistische standpunten, zoals hij zelf zegt. Het komt ook door zijn voorspelbaarheid: zijn analyses van de Amerikaanse buitenlandse politiek in het Midden-Oosten en de Derde Wereld, de ideologie en werkwijze van de grote Amerikaanse media en de excessen van het bedrijfsleven en het vrije-marktdenken zijn briljant, maar tweedimensionaal. Hij schrijft niet over mensen als wezens van vlees en bloed, maar als raderen in een systeem waarvan eigenlijk alleen hijzelf de logica doorziet.

Het verschil tussen de genoemde uitspraken is veelzeggend. Sontag vestigt de aandacht op de morele, symbolische en politieke betekenis van de aanslagen. Chomsky trekt daarentegen een register van (schijnbare) precedenten open en lijkt zich voornamelijk te storen aan de contraproductiviteit van de aanslagen, alsof hij met een parafrase van Talleyrand wil zeggen: het zijn niet zozeer misdaden, het zijn fouten. Ook eventuele vergeldingsacties noemt hij contraproductief omdat ze «meer van zulke misdaden» zullen uitlokken. Daarmee suggereert hij dat deze aanval ook was uitgelokt. Dat is een honorabel standpunt, zolang je er niet de conclusie aan verbindt dat hij daarom gerechtvaardigd was. Dat zegt Chomsky dan ook niet. Toch blijft die indruk hangen doordat hij de dodentallen wegstreept tegen de slachtoffers van Amerikaans geweld elders in de wereld.

Die kille benadering maakt hem voor velen onuitstaanbaar wanneer hij gelijk heeft. En dat heeft hij meestal als het gaat om de feiten — daarvoor staan zijn systematische geest, zijn solide documentatiesysteem en zijn netwerk van geestverwanten onder wie historicus Howard Zinn en de econoom Edward Herman garant. Zijn boeken en essays, zijn columns op de website ZNet, zijn interviews voor alternatieve radiozenders en zijn toespraken zijn een Fundgrube voor bijzondere politieke feiten of details, met name als het gaat om Amerikaanse interventies in andere landen en het valse zelfbeeld dat veel Amerikanen daarbij hebben. «Het is de opdracht van intellectuelen om de waarheid te spreken en leugens bloot te leggen», schreef hij in 1967 in zijn geruchtmakende artikel The Responsibility of Intellectuals. De grootste vijanden van die waarheid zijn de overheid, de kapitalistische media en de al even volgzame academische kaste die hij in zijn eerste politieke boek, American Power and the New Mandarins (1969), genadeloos te kijk zette. Ze maken deel uit van de kapitalistische economie, aldus Chomsky, dus fabriceren ze leugens met dezelfde logica waarmee General Motors auto’s maakt.

In zijn «loopgravenoorlog tegen heersende mythes» (Edward Said) is Chomsky soms buitengewoon succesvol; je kunt zonder overdrijving stellen dat hij de kwestie Oost-Timor eigenhandig op de Amerikaanse agenda heeft gezet door onophoudelijk te hameren op de westerse medeplichtigheid aan het Indonesische wangedrag op het eiland. Tegelijk klinken de «elementaire waarden» («moral truisms») die hij zegt te verdedigen steeds minder door in zijn werk. Zijn geschriften staan tegenwoordig louter in het teken van verontwaardiging over de dubbele moraal die de VS in hun buitenlands beleid hanteren.

Voor een Amerikaanse intellectueel die zijn vuurdoop kreeg tijdens de Vietnamoorlog is dat misschien niet verwonderlijk, het is wel vermoeiend dat hij erin is blijven hangen. Die beperkte, analytische invalshoek maakt Chomsky tot een typische vertegenwoordiger van de naoorlogse generatie van Amerikaanse wetenschappers, bijna allemaal neopositivisten die de grote wereldproblemen te lijf wilden gaan met originele toekomstontwerpen, gebaseerd op kwantitatieve analyses en ondersteund door computermodellen.

Wat dat betreft heeft Noam Avram Chomsky (Philadelphia, 1928) de beste papieren van allemaal. Hij maakte als taalwetenschapper in de jaren vijftig naam met zijn «transformationele grammatica», een ingewikkeld leerstuk dat taalkundestudenten in de hele wereld ten onrechte met weerzin vervult. Het is één van de grote wetenschappelijke doorbraken in de geschiedenis, een copernicaanse omwenteling in de taalwetenschap en psychologie waarvoor hij allang de Nobelprijs had moeten krijgen. Zijn ontdekking komt erop neer dat taalgebruik niet wordt aangeleerd door opvoeding en scholing, maar dat de taalstructuur vanaf de geboorte als een soort innerlijke blauwdruk in ieder mens aanwezig is. Sinds de verschijning van zijn Syntactic Structures in 1957 is het onmogelijk over taal te spreken zonder naar Chomsky te verwijzen.

En net als de meeste wetenschappelijke ontdekkingen heeft zijn vondst maatschappelijke implicaties. Dat bleek toen Chomsky een frontale aanval ondernam op het behaviorisme, een psychologische school die ervan uitgaat dat alle gedrag (dus ook taal) is aangeleerd. In een verschroeiend essay uit 1959, gericht tegen Bertrand Skinner, stelde Chomsky hem aan de kaak als representant van een totalitaire denkwijze die mensen reduceert tot proefratten die door middel van straf en beloning kunnen worden geconditioneerd. Skinner wilde de maatschappij reduceren tot een «Skinner-box», aldus Chomsky, een toekomstvisie die het meest weg had van een «goedgeolied concentratiekamp».

Hoewel Chomsky liever geen verband legt tussen zijn wetenschappelijke en politieke werk bestaat er een onmiskenbare relatie. Van de taal naar andere vormen van gedrag is het immers maar een kleine stap. Terecht betitelde hij in zijn essay Language and Freedom uit 1970 de studie van de taal als een «springplank» voor het bestuderen van de menselijke natuur. Chomsky is een rationalist van de oude school die gelooft in de kracht en de triomf van de rede. Zoals alle mensen een natuurlijk vermogen hebben om taal te begrijpen en te leren, zo hebben ze ook allemaal het vermogen om goed en kwaad te onderscheiden en meer te leren dan hun eigen, particuliere ervaring ingeeft. De erfelijke cognitieve structuren van de mens zijn de beste garantie voor zijn intellectuele vrijheid.

Om dezelfde reden verwierp Chomsky als jonge activist het marxisme, dat de menselijke natuur beschouwt als een «amorfe substantie die pas vorm krijgt door de historische omstandigheden en de omgeving waarin je opgroeit». In politieke termen is Chomsky een anarcho-syndicalist. Hij gelooft in zelforganisatie en staat wantrouwig tegenover elke vorm van georganiseerd gezag en de bijbehorende ideologie. Tegelijkertijd is hij, op een perverse manier, net als zijn meest rechtse tegenstanders, een aanhanger van de Amerikaanse almacht in de wereld. In zijn teksten wijt hij alle oorlogsmisdaden, uitbuiting en andere gruwelen in grote delen van de wereld systematisch aan de Verenigde Staten, nooit aan lokale machthebbers, laat staan aan gewone mensen die met de beste wil van de wereld de vreselijkste vergissingen begaan.

Ook Chomsky heeft zo’n afschuwelijke vergissing begaan door in de jaren zeventig te ontkennen dat de Rode Khmer een genocide in Cambodja aanrichtten. Om die stelling vol te houden, maakten hij en Herman selectief gebruik van Cambodjaanse bronnen en verwezen tegengestelde berichten naar de prullenmand van de propaganda. Chomsky heeft die vergissing inmiddels erkend, maar er nimmer verantwoording voor afgelegd. In dat opzicht blijft hij de alternatieve tegenhanger van technocraten als Robert McNamara of Dean Rusk, die in de jaren zestig als ministers dienden en wél vuile handen maakten. Véél te vuil, zoals ex-minister van Defensie McNamara heeft toegegeven in zijn boek In Retrospect (1995). Het opmerkelijke aan dit boek is dat McNamara er niet in slaagt zijn eigen fouten te analyseren omdat hij onverminderd denkt als een technocraat. Mijn uitgangspunten deugden, aldus McNamara. Als ik nu maar andere, betere berekeningen had gemaakt, had ik die fouten niet begaan. Chomsky zou het hem kunnen nazeggen.