Emancipatie via de intifada

Lipstick-martelaressen

Vrouwen worden ingezet als zelfmoordcommando’s bij de intifada. De extreme daden van de «lipstick-martelaressen» hebben ingrijpende gevolgen. Daarbij, heel cynisch, werkt deze ontwikkeling emanciperend voor de moslimvrouwen.

Vorige week verscheen wereldwijd op de voorpagina’s van de kranten een foto van een jonge moslimvrouw. Het gelaat steekt extra bleek af tegen de omlijsting van een zwarte hoofddoek, koolzwart opgemaakte ogen en rood geverfde lippen waarmee ze vriendelijk lacht naar de camera. Ze is het gezicht achter de zelfmoordaanslag op 4 oktober in Haifa waarbij negentien doden vielen, waaronder twee bijna complete gezinnen.

Hanadi Jaradat is de naam van deze 27-jarige Palestijnse juriste die op de bewuste dag vroeg in de ochtend haar woonplaats Jenin op de Westbank verliet, zonder enig probleem de Israëlische controleposten passeerde, ergens onderweg haar traditionele gewaden en hoofddoek verruilde voor een spijkerbroek en T-shirt om zo onopvallend het populaire Maxim-café binnen te kunnen komen. Onder haar westerse outfit had ze op haar lichaam een pakket kneedbommen. Een week later zou zij zijn beëdigd tot advocaat.

Een broer van Hanadi verklaarde dezelfde dag dat haar daad voortkwam uit wraak tegen het Israëlische leger, dat op 12 juni bij een vergeldingsactie twee familieleden had vermoord. Vanaf dat moment was ze volkomen in zichzelf gekeerd geraakt en had ze haar geloofsbelijdenis sterk geïntensiveerd: in plaats van wekelijks vastte ze iedere dag tussen zonsopgang en zonsondergang en las ze in haar eentje koortsachtig in de koran. Haar familie toonde zich na het bericht weliswaar geschokt, maar zei er meteen bij dat haar «dappere daad» stemde tot grote vreugde. «Waarom zouden we huilen? Het is vandaag zoals haar trouwdag zou zijn geweest: de meest gelukkige dag uit haar leven.»

Hanadi Jaradat geldt officieel als de zesde in een rij van Palestijnse vrouwen die sinds anderhalf jaar operatief zijn als menselijk wapen in de intifada. In Israël wordt gesproken over een nieuwe trend van «lipstick-martelaressen», zo genoemd omdat de vrouwen zich volgens de westerse mode opmaken en hun fanatieke religieuze achtergrond maskeren. Vrouwen kunnen inderdaad makkelijker dan mannen de controleposten van de recent opgetrokken afscheidingslinie van prikkeldraad met scheermesjes, gewapend beton en staalplaten passeren omdat Israëlische soldaten Arabische vrouwen (nog) niet fouilleren.

Hun daden veroorzaken vooralsnog een grotere schok dan die van hun mannelijke opofferingsgezinde strijdbroeders. Niet alleen zijn aanslagen door vrouwen nieuw, dus extra shockerend, ook maken ze het de Israëliërs weer moeilijker hun burgers te beschermen. En bovendien, als een vrouw zichzelf opblaast, spreekt daar nog meer wanhoop uit dan wanneer een man dat doet, die immers al eeuwenlang van nature meer is geneigd tot geweld.

Het effect binnen de moslimwereld is ook groot. De acties van de suïcidestrijdsters hebben geleid tot felle discussies op straat en fundamentele debatten tussen geestelijk leiders in het Midden-Oosten. Mag de vrouw vechten als een man en naar de wapens grijpen? Wat is haar rol binnen de heilige oorlog tegen ongelovigen, de jihad, en is het toegestaan dat zij zelfmoord pleegt? Kan zij shahid, een heilige martelaar worden, en wat wordt haar in het vooruitzicht gesteld in het hiernamaals?

Opvallend bij de discussies is dat er eigenlijk een ander debat achter schuilgaat: de voorzichtige emancipatie van de moslimvrouw. Alle wandelende bommen hadden een universitaire opleiding en zouden innerlijk worstelen met de ondergeschikte rol van de vrouw binnen het geloof. De ultieme daad van deze vrouwen wordt gezien als een teken van gelijkschakeling met de man: de moslimvrouw laat zich niet langer in een dienende rol drukken, als steun van de man in zijn strijd — dat betekent: koken, wassen, verzorgen, hem aanmoedigen als hij ten strijde trekt en bij zijn dood huilen en jammeren —, ze neemt nu zelf het heft in handen. De strijdsters fungeren als rolmodel: hun moslimzusters eren hen om hun moed, zowel tegenover de beoogde vijand als tegenover de sociale normen van het mannelijke thuisfront.

Ronselaars van terreurgroeperingen maken op hun beurt gebruik van dit nieuwe poten tieel. Als vrouwelijke nabestaanden van gedode Palestijnse mannen in een geestelijk labiele toestand verkeren, worden ze benaderd voor een actieve rol in de strijd. Ze krijgen een militaire training en kunnen worden aangewezen als uitverkorene om zich te offeren voor Allah.

Het oermodel van deze martelaressen heet Wafa Idris. Zij woonde in Gaza en werkte als medicus in een ziekenhuis. Ze voelde zich niet alleen gefrustreerd over de dagelijks ellende om zich heen, maar was tevens het slachtoffer van de ongelijke man-vrouw-verhouding binnen de moslimgemeenschap. Volgens haar moeder had haar echtgenoot haar verstoten omdat ze geen kinderen kon krijgen. Na de scheiding werd ze door haar sociale omgeving elke dag opnieuw met meewarige blikken aangekeken of genegeerd. Op 27 januari 2002 zette Wafa Idris die schande om in een daad van groot aanzien: ze blies zichzelf midden in Jeruzalem op, waarbij een Israëlische man omkwam en meer dan honderdvijftig mensen veelal zeer ernstig gewond raakten. Dat die aanslag Wafa Idris zoveel ontzag opleverde, illustreert de merkwaardige, paradoxale opvatting over de positie van de moslimvrouw binnen de gewapende strijd en daarbuiten.

Onmiddellijk na de zelfmoordaanslag ontbrandde er een discussie over Wafa Idris’ daad, die tot de dag van vandaag voortduurt en steeds feller wordt gevoerd in alle hoeken van het Midden-Oosten. Sommige Hamas-leiders verklaarden dat iedere moslim, ongeacht sekse, het recht heeft op zo’n wijze te sterven voor Allah. Zelfmoord is binnen de islam formeel verboden, omdat alleen Allah het recht heeft het leven te geven en te nemen, maar is wél toegestaan als wapen in de heilige oorlog waarbij ook tegenstanders worden gedood. Sinds kort mogen vrouwen ook toetreden tot de exclusieve gelederen van de zelfmoordcommando’s. In pamfletten in de bezette gebieden worden zij daar nadrukkelijk toe aangemoedigd: «Onze vrouwen verruilen hun parfum voor de geur van kruit, ze dragen wapens in plaats van sieraden. Onze vrouwen zijn niet langer het type dat huilt en klaagt. We hebben nu martelaarvrouwen.»

De profeet Mohammed zou ook hebben gezegd dat vrouwen actief mogen doden ter ondersteuning van de jihad. Een zeer invloedrijke Egyptische sjeik en een vooraanstaand geestelijk leider in Saoedi-Arabië daarentegen verzetten zich fel tegen deze daad, omdat zij vinden dat vrouwen nooit zonder begeleiding van een man, zonder hoofddoek en zonder toestemming van hun echtgenoot vrij mogen reizen. Een ander macaber obstakel voor vrouwelijke deelname aan de jihad op deze manier is dat een vrouw niet in het openbaar haar naakte huid mag tonen aan een man, zelfs niet na haar dood. Uiteindelijk werd een fatwa (een gebod) uitgesproken tegen zelfmoordaanslagen.

Wafa Idris groeide al bij haar begrafenis uit tot een icoon van vrouwelijk martelaarschap. Piepjonge, soms zwaar gesluierde meisjes droegen haar foto op borden over de stoffige wegen van de Gazastrook en scandeerden: «Zij is een martelares en de martelaar is de geliefde van God.» In juli van dit jaar werd ze in een programma op de officiële televisiezender van de Palestijnse Autoriteit met een speciaal lied geprezen voor haar glorieuze daad. De tekst gaat ongeveer als volgt: «Mijn zuster Wafa, o hartslag van trots, o bloesemboom die op aarde was en nu in de hemel staat. Allah is groot, o Palestina van de Arabieren, o Wafa, jij koos voor het martelaarschap, in dood bracht je leven volgens onze wil.» Dit lied werd deze zomer gezongen in opleidingskampen van Hamas. Tijdens speciale godsdienstlessen over de moderne islam voor meisjes stond Wafa’s daad centraal.

Een andere vraag waar driftig over wordt gediscussieerd is of er voor deze «dappere strijdsters» een speciale plek in het hiernamaals is weggelegd. Bekend zijn de beelden van jihadstrijders die zich aan de vooravond van hun daad met een verzaligde blik in de ogen lieten fotograferen bij een portret van het beloofde paradijs, waar hun allerlei heerlijk heden te wachten stonden, zoals veertig hoeri’s en een Mercedes.

De interpretatie van de koran varieert op dit punt al naar gelang men de inzet van vrouwen wil goedpraten of afkeuren. Volgens de Nederlandse professor Leemhuis, verbonden aan de Groningse faculteit islamwetenschappen en godgeleerdheid, bestaat er in het paradijs geen enkel verschil tussen mannen en vrouwen. Leemhuis: «Uit de koran blijkt dat wat mannen wordt beloofd net zo goed voor vrouwen geldt. Ook zij zullen worden bediend door hoeri’s. Hoeri betekent letterlijk: iemand met ogen waarvan het zwart en wit scherp gescheiden zijn. Een knap persoon dus. Dat moet natuurlijk niet letterlijk worden genomen; het gaat meer om een beeld van iets dat onvoorstelbaar is. Maar er wordt ook een actuele invulling aan gegeven, van werkelijk bestaande wezens: de bedienden zouden jonge maagden zijn. Het kan best zijn dat er voor vrouwen dan jonge mannen rondlopen, door wie ze bediend worden. Met het beeld van een Mercedes wordt de zaak gemoderniseerd. Ik weet niet of vrouwen dan bijvoorbeeld een extra mooi aanrecht wordt beloofd. Het idee is dat in het paradijs alles mag wat op aarde streng wordt gereglementeerd, zoals wijn drinken en seks hebben. In het paradijs word je natuurlijk niet dronken of zwanger, dat speelt in alle eeuwigheid niet. Het getal veertig betekent: extra veel. Die extra beloning komt martelaren toe, wegens hun bijzondere verdiensten. Maar bij mijn weten is er in het paradijs verder geen hiërarchie.»

De vergelijking van de vrouw met een bloesemboom is volgens Leemhuis een typisch Arabisch poëtisch zinnebeeld, een metafoor voor ultieme schoonheid: «Het is erg cynisch, maar deze ontwikkeling werkt emanciperend voor de moslimvrouwen.» De strijd mag dan op een verwrongen manier emanciperend uitpakken, ongelijkheid moet er binnen het fundamentele geloof blijven. Aangezien de vrouw maar de helft waard is van een man (zo telt in de rechtszaal de mening van een man dubbel) worden de nabestaanden van vrouwen slechts met de helft financieel beloond. Terwijl ze het beste hebben verloren: hun dochter, echtgenote of zus mét een universitaire opleiding.