Lirobank, afd. zwolle

DE HEER Denneboom had geluk. Niet alleen overleefde hij met zijn gezin de oorlog, hij kreeg in september 1945 ook zijn schrijfmachine terug via de Commissie Roerende Goederen van Vijanden en Landverraders. Hij moest aan die commissie wel Ÿ 25,- opsporingskosten betalen. Voor wat hoort wat, ook in Zwolle kregen de joden niets voor niets. De heer Denneboom had nóg een keer geluk. De intussen heropgerichte Nederlands Israëlitische Gemeente van Zwolle was bereid dat bedrag voor hem te voldoen.

Iet Erdtsieck haalt deze en andere kleine feitjes boven water in haar artikel over Het harde rechtsherstel van de Nederlands Israëlitische Gemeente te Zwolle 1945-1948, dat later dit jaar zal verschijnen in het blad van de Zwolse Historische Vereniging. Haar artikel geeft een perfecte illustratie op microniveau van de onthullingen die de laatste maanden zijn gedaan over de behandeling die de weinige uit kampen en onderduik teruggekeerde joden na de oorlog in Nederland ondervonden.
Erdtsieck vindt het verbazingwekkend dat het handjevol teruggekeerde joden in staat was toch hun kerkgenootschap weer min of meer op te bouwen. De overheid was niet erg behulpzaam. Iedere achterstallige cent moest worden betaald. Dat ging niet altijd om grote bedragen, maar zeker achteraf klinkt het hard dat de ontvanger der directe belastingen te Zwolle vijf maanden na het einde van de oorlog, op 6 oktober 1945, de joodse gemeente de volgende aanmaning stuurt: ‘Hierbij doe ik u een duplicaataanslagbiljet toekomen betreffende den aanslag Grondbelasting 1944 art.7853 ten bedrage van Ÿ 3,98 met verzoek dit bedrag spoedig te willen voldoen.’
Het oorspronkelijke aanslagbiljet droeg als dagtekening 30 juni 1944, toen er in Zwolle alleen nog dode joden waren; het ging om de grondbelasting voor de joodse begraafplaats. De joodse gemeente betaalde het bedrag zonder morren, samen met de aanslag over 1945, de achterstallige waterschapslasten over de dienstjaren 1944 en 1945, de grondbelasting voor de synagoge, en een aanslag die op naam stond van mevrouw Henriëtte Levie-van Dam. Die kon zelf na de oorlog haar schuld niet meer voldoen, aangezien zij in 1943 op 87-jarige leeftijd in Sobibor was omgebracht. Maar Zwolle dacht er niet over daarom de aanslag kwijt te schelden. En de joodse gemeente heeft er niet om gevraagd.
IET ERDTSIECK is in de eerste plaats historica en niet de persoon om vlijmscherp of keihard te formuleren, maar haar droge opsomming van grotere en kleine feiten vormt toch een aanklacht tegen de volstrekt formalistische houding van de overheid en van maatschappelijke instituties als de verzekeringsmaatschappijen.
Als ik met haar spreek, is zij wat scherper in haar formuleringen: 'Men deed net of er niets aan de hand was geweest. De joden waren alleen maar eventjes weggegaan. Als je de stukken leest, kan het net zo goed zijn dat ze op vakantie waren geweest. De overheid wilde na de oorlog geen onderscheid maken tussen joden en niet-joden. Een dwaas en hard standpunt als je bedenkt dat van elke vier joden er drie zijn vermoord, terwijl van elke honderd niet-joodse Nederlanders er één is omgebracht.
Die paar joden die terugkwamen kregen geen enkele steun van de overheid. In mei 1945 vroegen ze bijvoorbeeld in een brief aan de burgemeester van Zwolle om een commissie in het leven te roepen ter behartiging van de bijzondere joodse belangen, en die behoorlijke bevoegdheden te geven. Zijn antwoord is strikt formeel: “Ten aanzien van de bijzondere joodse belangen is mij gebleken dat dit een aangelegenheid van zuiver particuliere aard betreft en aangezien de overheid zich niet inlaat met de vorming van commissies als door u bedoeld, kan hare instelling vrijelijk door de belanghebbenden geschieden.” Met andere woorden: men distantieert zich van overheidswege gewoon van joodse zaken. Dat moeten ze zelf maar zien en dat hebben ze dus ook maar gedaan.
Dat men de joden in de oorlog niet heeft geholpen, dat kun je je nog beter voorstellen. Dat was gevaarlijk en de joden werden stukje bij beetje geïsoleerd en verdacht gemaakt. Natuurlijk vraag ik me zelf ook af of ik dat in die tijd wel had gedaan. Maar het is heel dwaas dat men ook na de oorlog zo onverschillig reageert op een groep die al vele generaties deel had uitgemaakt van de stadsbevolking. Het argument dat Nederland tot het einde van de oorlog bezet was en in de hongerwinter erg heeft geleden, gaat in Zwolle niet op. Hier is niemand omgekomen van de honger.’
VOOR DE OORLOG had Zwolle een betrekkelijk grote joodse gemeenschap, zo'n zeshonderd mensen, waar nog eens een honderdtal Duitse vluchtelingen bij kwam. Er was een opperrabbinaat gevestigd en de belangrijkste joodse ingezetenen behoorden tot de notabelen van de stad. In (het katholieke) Oldenzaal vonden eind negentiende eeuw nog pogromachtige rellen tegen joden plaats, in Zwolle was zoiets sinds de vijftiende eeuw niet meer voorgekomen. De meeste joden waren arm, maar als geheel was de joodse gemeenschap in Zwolle redelijk geïntegreerd, zij het toch een groep apart.
Na de oorlog kwam minder dan een kwart terug. De joodse gemeenschap was sterk verdeeld. Mensen die de oorlog hadden overleefd als bestuurslid van de Joodsche Raad, werden door sommigen weer geaccepteerd. Anderen spuwden voor ze op de grond als ze ze tegenkwamen.
Die verdeelde, gedecimeerde bevolkingsgroep moest na de oorlog alles weer opbouwen zonder enige steun van buitenaf. Als ze probeerden wat extra’s te krijgen, kregen ze al gauw te horen: 'Zie je wel, daar heb je die joden weer. Altijd voordringen. Ze zijn gek op spullen, ze willen natuurlijk hun goud en hun zilver weer terug.’ Iet Erdtsieck: 'Ze kwamen al gauw tot de conclusie dat ze zelf de zaak maar weer moesten opbouwen en dat het geen zin had daar over te blijven zeuren. Maar uit de interne papieren merk je soms hoe moeilijk het was. Toen de joodse gemeente probeerde wat belasting binnen te krijgen, kwamen veel brieven van mensen die dat niet konden betalen doordat ze alles kwijt waren, de zaken nog niet op orde hadden, weinig of geen inkomen hadden of weduwe waren geworden. Maar naar de Nederlandse overheid is hun toon voorzichtig. Ik ben nergens tegengekomen dat gezegd werd: “Jullie hebben ons tijdens de oorlog in de steek gelaten. Nu zijn we berooid. Zorg nu eens dat we het goed krijgen.” Ze probeerden geen aanstoot te geven. Vandaar ook dat de Nederlandse regering zonder enig overleg met een joodse instantie heeft kunnen beslissen 124 miljoen smartegeld van Duitsland te accepteren voor alle Nederlandse oorlogsslachtoffers, waardoor de joden in Nederland niet meer apart als oorlogsslachtoffer konden worden erkend.
Een brief waarin de joodse gemeenschap iets werd geschonken ben ik niet tegengekomen. Als ze de spullen van de synagoge terugkregen, moest er steevast bewaarloon worden betaald. De firma A. van der Horst bijvoorbeeld had tijdens de oorlog de voorhangsels en mantels uit de Zwolse synagoge bewaard. De firma zorgde ervoor dat alle voorwerpen weer netjes in de synagoge werden opgehangen. Maar ik vond wel de rekening die de voorzitter van de joodse gemeente in november 1945 heeft betaald: Ÿ 125,- bewaarloon gedurende vijf jaar.
Toch, één keer hebben ze een tientje gekregen. De arts die de medische keuring van de nieuw aangestelde voorganger voor de synagoge had verricht vroeg daar Ÿ 35,- voor. De penningmeester van de joodse gemeente vroeg om korting 'gezien het feit dat circa 75 procent harer vroegere leden ontbreekt’. De arts was zo vriendelijk de rekening met Ÿ 10,- te verlagen tot Ÿ 25,-. En dat was weer precies het bedrag dat het kerkbestuur schonk aan de afdeling Opsporing Joodse Personen van het Rode Kruis.
Maar het ging niet altijd over zulke kleine bedragen. Ook in Zwolle had een groot aantal joodse verenigingen hun reservegeld belegd in effecten, die ze in 1941 hadden moeten inleveren bij Lippmann Rosenthal Sarphatistraat, de Lirobank. Bij elkaar ging het om een bedrag van Ÿ 74.000,-, waarvan in april 1947 pas Ÿ 6000,- was teruggegeven. Verdere gegevens heb ik niet, maar ik twijfel eraan of er ooit meer is teruggekomen.’
OP DE VRAAG waarom zij zich als kroniekschrijver van de joodse gemeenschap in Zwolle en Overijssel heeft opgeworpen, heeft Erdtsieck niet direct een antwoord. Ze is zelf niet joods, al heeft ze waarschijnlijk wel joodse voorouders. Tijdens haar studie geschiedenis deed ze onderzoek naar het joodse onderwijs in Zwolle van 1941 - toen de joodse kinderen niet meer aan het gewone onderwijs mochten deelnemen - tot 1943, toen de laatste kinderen op transport gingen, en naar de jodenvervolging in Zwolle tijdens de oorlog. In 1995 promoveerde ze op De emancipatie van de Joden in Overijssel 1796-1940.
Tijdens haar gesprekken met vooral oudere joden in Zwolle kwamen echter ook verhalen boven over de tijd na de oorlog en Erdtsieck had het gevoel dat zij daar iets mee moest doen. Niet dat het haar makkelijk viel steeds weer in de verschrikkelijke verhalen uit de oorlogstijd te duiken: 'Als ik naar iemand toe ging, vroeg ik me wel eens af of ik dat wel allemaal bij mensen naar boven mocht halen.’ Vandaar dat zij haar artikel in de eerste plaats baseerde op briefjes en kwitanties uit de archieven, die voor een deel bij het Gemeentearchief van Amsterdam liggen.
Aan de andere kant bleken die mensen blij te zijn dat er iemand naar ze luisterde: 'Ze vertelden me vaak dingen die hun eigen man of vrouw niet wisten. Vaak wist ik niet welke vragen ik moest stellen. Veel van de gegevens die ik nu heb gebruikt kwamen als vanzelf, wanneer we het bijvoorbeeld over het onderwijs in de oorlog hadden. Nu zou ik andere dingen vragen.
Sommige Zwolse joden hielden het na de oorlog niet meer uit in Nederland en gingen naar Israel. Ze hadden na de oorlog hier wel een bestaan opgebouwd, maar ze voelden zich vreemdelingen in hun eigen land. Ze waren ooit gewone burgers geweest en ze voelden zich in de steek gelaten door de Nederlandse overheid. Toen ze terugkwamen was niemand blij; niemand zei: “Wat fijn dat jullie er toch nog zijn”. Toch voelen ze zich nu in Israel altijd nog Nederlanders, soms noemen ze zich zelfs “calvinistische joden”, die niet tegen geroezemoes en geloop van kinderen tijdens een sjoeldienst kunnen. Veel Nederlanders in Israel kruipen bij elkaar in de Nederlandse bejaardentehuizen als ze ouder worden. Er is nu wel de WUV, waardoor ze, als ze arbeidsongeschikt zijn, een uitkering krijgen, maar ook dat moeten ze elke keer weer bewijzen. De keuringen zijn streng en als er een brief van de WUV komt durven ze die al bijna niet open te maken uit angst dat er weer iets mee is.
Zulke bittere dingen kom je vaak tegen. In Zwolle had men kunnen weten wat er in het oosten met de joden gebeurde. Eind 1942 kwam er een brief uit Auschwitz-Birkenau van Lineke Pinas, die haar tante schreef: “Lily en Mimi zijn bij de zuster van Sia gekomen, net als Bep en ik ga er misschien ook al spoedig heen.” Sia’s zuster was in 1940 overleden, dus de briefschrijfster probeerde in bedekte termen te waarschuwen over wat daar stond te gebeuren. De familie van Lineke Pinas was toen gelukkig al ondergedoken. Ze hebben de brief niet gekregen, er is niets mee gedaan en Lineke Pinas is op 31 maart 1943 vermoord.’