Lisa de rooy schrijfster / ‘in de ogen van mijn broer’

‘JA, LIMOENTJES. Daar smeert mijn familie je ook mee in. Als je griep hebt, dan pakken ze limoenen. Die persen ze in je thee en die smeren ze in je haar, je huid, tot je helemaal onder zit. Bij mijn kinderen vind ik dan dagen later de pitjes nog in hun haren terug. Ik accepteer dat allemaal - zij wonen er en zij weten dat. Misschien denken ze dat de vitaminen door je huid naar binnen dringen en de ziektekiemen afstoten.

Soms, als de kinderen echt ziek zijn, doen ze dingen die ík niet ken. Mijn zoontje was in een spijker getrapt en toen hielden ze een lucifer onder zijn voet. Dat was dan om de infectie weg te branden, dan schrik je toch even. Maar ja, ik laat ze altijd hun gang gaan, want ik weet niet hoe het daar werkt en ze hebben toch al die kinderen om hen heen grootgebracht.’ ‘HET BEGIN - dat vond ik zo'n mooi beeld. Zo'n man die te warm is aangekleed omdat hij uit een ander klimaat komt, terwijl hij eigenlijk in zijn eigen land is. Daar staat hij dan. De bus rijdt in een stofwolk weg en hij kijkt naar zijn oude dorp. Ik dacht gelijk: daar loopt het niet goed mee af. Er waren twee mogelijkheden: óf hij ging terug naar Nederland óf hij bleef daar. Ik vond beide mogelijkheden niet interessant, dus het moest iets anders worden. Wat, dat ontdekte ik later wel. Zo'n verhaal geeft zich voor een groot deel prijs terwijl je het schrijft. Zoals die oude man bijvoorbeeld, die plotseling achter een grafhuisje vandaan komt. Opeens schreef ik dat ik een paar voeten zag en daar kwam die man omhoog. Dat zijn de magische momenten, er duikt een personage op dat je niet van tevoren verzonnen had maar dat een heel belangrijke rol in het verhaal speelt. Ik wist dat er in ieder geval een huis was met een donkere kamer en daarin een blinde man. En een verhaal van de zonde dat een dochter met een jongen gevreeën heeft en de schande die zij daarmee over haar familie brengt. Ik heb ook zulke families gezien. Mensen die heel vrolijk waren en trots op hun huis en die je heel open ontvingen. Maar een jaar later durfden ze niemand meer te ontvangen. Dan was er iets gebeurd met hun dochter en schaamden ze zich echt ongelooflijk. Dergelijke klassieke verhalen nodigen uit tot het schrijven van tragedies. En dat wilde ik ook wel. Je vraagt je toch af hoe dat gebeurt. Ik wilde wel een keer iemand verliefd laten worden en helemaal laten toegeven aan dat gevoel tot er iets gebeurde wat eigenlijk niet mag.’ 'HOE EEN VROUW zo hard kan zijn voor haar eigen kind, daar verbaas ik me echt over. Het meisje uit mijn boek wilde ik daarom ook echt verloren laten zijn, verstoten door haar eigen familie. Want zo sterk kan religie wel zijn. De moeder leeft echt volgens ieder woord van de koran. De hardheid van zo'n moeder komt voort uit het verantwoordelijkheidsgevoel dat ze heeft. Zij is verantwoordelijk voor de seksuele opvoeding van haar dochter. Op het moment dat haar dochter zondigt voelt zij zich falen in haar opvoeding. Dus die hardheid is naar haar dochter toe maar ook naar haarzelf. Die strengheid zie je ook hier in Nederland. Marokkaanse meisjes klagen vaak dat hun broertjes hun gang mogen gaan en vriendinnetjes mogen hebben. Maar zodra een meisje een vriendje heeft, is het meteen… Die Marokkaanse vader die zijn eigen dochter heeft doodgestoken. Dat is zo extreem, maar zo'n man zit ook in zo'n onmogelijke situatie. Toen ik dat las, dacht ik: zie je nou wel. Het gebéurt.’ 'IK KOM UIT Leiden en ik ben atheïstisch opgevoed. In Amsterdam heb ik de toneelschool gedaan en een aantal jaren gerommeld, maar ik kreeg niet het werk dat ik interessant vond. Dus ben ik gaan schrijven. In 1989 kwam ik voor het eerst in Egypte. Sabri’s moeder heeft verdieping na verdieping een gigantisch huis in Cairo laten bouwen. Sabri’s zus, zijn broer en wij hebben er ook een verdieping. Zijn andere broer woont aan de overkant. Ontzettend leuk, dat woont allemaal zo bij elkaar. We zijn er elke zomer en als we terugkomen vind ik het hier helemaal niks. Het geeft me een soort rust. Veel thee drinken. Sabri wil ontzettend graag met zijn moeder praten. Ik keutel wat door het huis en help zijn zus met schoonmaken. Er zwermen veel kinderen rond. Het is heel gemoedelijk. Ik voel me daar zeer thuis. Ook de korte verhalen die ik heb geschreven spelen zich er af. Het is makkelijker, want ik ben ook een buitenstaander. En de helft versta ik niet, dus ik kijk en bedenk zelf veel. En je hoort zo veel verhalen. Sabri’s moeder vertelt graag en veel. Over de buurvrouw of de dingen die in de krant staan. Daar gaat je fantasie snel mee op de loop. Terwijl hier in Nederland, over mezelf, daar had ik niet echt iets mee. Ik ken mijn eigen stijl nog niet goed. Op de schrijversvakschool noemden ze het wel eens “woestijndroog”. Dat is natuurlijk mijn Hollandse inborst. Helemaal niet Arabisch: sobere taal, geen woord te veel. Ik kan echt zinnen maken waarvan ik later denk: dat is allemaal overbodig. Dus een Arabische roman? Het thema ja, maar mijn stijl niet. Benali, die heeft een Arabische stijl: het Arabisch heeft veel meer volle en rijke uitdrukkingen dan de Nederlandse taal. Hoewel, ik heb Taha Hussein gelezen en die heeft een erg gedragen en gedegen stijl. Niet eens zo bloemrijk. Of de kennis van het Arabisch mijn stijl heeft veranderd, weet ik niet, daar zou ik wel blij mee zijn. Vooral het Egyptisch vind ik zo'n mooie taal. Tegen een baby zeggen ze niet “Rustig maar”. Ze zeggen in een ritme “Bes, bes, bes”.’ 'SABRI LEERDE IK in 1987 kennen. Hij was toen al een jaar of acht in Nederland. Hij heeft eerst nog bij The Children of Jesus gezeten. Geweldig verhaal: Vrienden hadden hem gezegd dat hij naar Amsterdam moest gaan. Dat was het helemaal. Hij komt aan, staat met zijn koffertje op de Dam - zonder onderdak - en wordt aangesproken door de Children of Jesus. Die zeiden tegen hem: “Do you believe? Is Jesus your friend?” Dus zo'n islamitische jongen zegt: “Yes yes, okay okay.” En zij: “Okay, come to our home where Jesus is.” En hij meteen mee. Ik leerde hem kennen toen ik in de keuken van een café werkte. Hij vertelde dat hij al tien jaar van huis weg was. Dat vond ik zo onvoorstelbaar, ik was gelijk ingepakt. Ik ben nooit meer thuis geweest.’