De hoogmoed van de theorie van alles

Listigheid

De mens heeft de illusie dat hij binnenkort een «theorie van alles» zal ontwerpen. Dan is de volmaaktheid nabij. In deze tijden van hoogmoed zijn wij ijdeler dan ooit.

Jaren geleden verhuisde ik naar Engeland, waar ik een genadig korte tijd student aan een «graduate school» was. Ik was volkomen alleen geweest toen ik aankwam, en zonder ook maar iemand te kennen op de Britse eilanden zou mijn kennissenkring al gauw heel anders worden dan die thuis was geweest. Onder mijn kennissen was uiteindelijk een beroemde Engelsman die begon met wat het proefproces geweest moet zijn van mij laten kennismaken met een geheime rite. Een geheime rite? Mijn God, ik verafschuw zulke dingen. Lees toch maar verder, want ik verliet het land voordat ik erg ver vorderde met mijn kennismaking en ik heb er geen enkele moeite mee om erover te praten. Wat het ook precies was, het draaide om de Egyptische god Thoth, wiens Griekse naam (natuurlijk) Hermes Trismegistos was. Toen de tandelijk gehandicapte jaargenoot (tanden uit elkaar, hij kon ex tempore redevoeringen in het Latijn houden) die me hiermee liet kennismaken er voor het eerst over vertelde, dacht ik dat hij me in de maling nam, maar dat deed hij niet. Ook had hij geen lsd geslikt. Hoewel het wat mij betrof niet veel meer zou zijn geweest dan een soort «ik heb een hekel aan meisjes »-club voor hitsige Engelse aristocraten, heeft het «hermetisme» een lange, indrukwekkende en geheimzinnige geschiedenis, die ik, tot mijn verbazing, moest bestuderen. Op het eerste gezicht leek het nogal op de doorsnee oosterse mystiek-cultus van de Oudheid, waar ik, als jood, een diepgewortelde aversie tegen heb. (Om te beginnen kan ik wierook niet uitstaan.) Hoewel onnauwkeurig en paradoxaal (als je mysterie hebt, heb je noch precisie noch consistentie nodig), waren de belangrijkste thema’s dat alles in het universum in wezen één is; dat onderverdelingen (zoals tussen diverse takken van studie) derhalve denkbeeldig zijn en voorbestemd ten onder te gaan; en dat door een proces van ontwikkeling dat half bewust onderzoek en half onbewust, mystiek laten-stromen is, de mens uiteindelijk zijn gescheiden inzichten zal samenbrengen, kennis van de eenheid zal verkrijgen, onsterfelijkheid bereikt en dan zal voortgaan om, jawel, een god te worden. Dit is vrij bekend, voor het grootste deel: het zijn de doorsnee-dingen van hubris en ketterij, die eigenlijk allemaal worden tegengesproken door de loop van de geschiedenis en ontkend door de onveranderlijkheid van de menselijke natuur - de menselijke natuur niet van de theorie maar van de praktijk. Maar toch kunnen we deze overtuigingen niet zomaar afdoen als onpraktisch. Ze lopen door de eeuwen heen in een ongebroken draad en hebben zich met opmerkelijk effect geopenbaard in de Renaissance, in een spoor dat leidde via alchemie naar modern wetenschappelijk onderzoek, in het Tijdperk van de Rede. Ik bezit de oude en kwetsbare boeken niet die ik (na in toga en knielend te hebben gezworen dat ik nooit open vuur zou maken op zijn grondgebied) consulteerde in de Bodleian Library, dus ik kan niet bewijzen of in het hermetische oeuvre het woord convergentie te vinden is, maar het is elders te vinden, en in een enigszins vergelijkbare vermomming. Ondanks zijn uitgesproken air van absurditeit en zelfs krankzinnigheid bevat het hermetisme uitdrukkingen van elementaire menselijke neigingen, verleidingen en waarheden. Hoewel je het mag loslaten, zoals ik deed, voor je het goed en wel hebt opgepakt, komt het naar je terug vanuit verscheidene hoeken van het filosofisch kompas. Bijvoorbeeld Teilhard de Chardin. Tot jezuïetenpriester gewijd in Frankrijk in 1911, en als heldhaftige brancardier in de loopgraven van de Grote Oorlog, droeg hij merkbaar bij aan die grootse onderneming van de wetenschap; hij leefde in onherbergzame woestijnen, oerwouden en werd gevangen genomen in China tijdens de Tweede Wereldoorlog, en schreef niet, zoals algemeen en ten onrechte wordt aangenomen, om wetenschap en religie in overeenstemming te brengen, maar veeleer simpelweg om de waarheid te vinden. Die waarheid, grootser dan welke menselijke prestatie ook, zou per definitie zonder moeite zowel de rede als de revelatie bevatten. Voor mij was Teilhards grote verdienste dat hij afrekende met het ongelukkige nihilisme gebaseerd op de verkeerde toepassing van de idee van entropie (als al het bestaande vergaat en energieniveaus dalen, dan is wat we weten of dromen niets meer dan een kaars die opbrandt) door te laten zien hoe elementaire natuurkrachten streven naar samenvoeging en, dus, een hogere vorm. Je kunt je niet baseren op entropie als een filosofisch axioma en tegelijkertijd de evolutietheorie aanvaarden, en slechts weinigen die de evolutietheorie zouden verwerpen, zouden tevreden zijn met entropie als een filosofische vooronderstelling. Dat is zoiets als zeggen dat de evolutie - planetair, biologisch, systemisch in welke vorm dan ook - wijst naar een voortgang in de richting van een hogere staat en de aanwezigheid veronderstelt van een sturende en organiserende kracht, ook al is dat niet meer dan een onverklaarbare samenloop van natuurwetten. En als evolutie slechts een metafoor is voor de schepping, dan is het licht in de verte nog steeds hetzelfde. Maar Teilhard ging veel verder, en stelde dat in de samenklontering van verscheidene elementen tot steeds complexere, kundiger en bewuster dingen, een pad van convergentie is te zien, dat de diverse verschijnselen op hun weg omhoog zich niet hebben ontwikkeld en zich niet aan het ontwikkelen zijn langs zelfstandige lijnen, maar naar hetzelfde punt gaan - kortom: dat alles dat stijgt moet convergeren. Zelfs in gescheiden evolutionaire ontwikkelingen die eerder worden gekenmerkt door analogie dan door een gemeenschappelijke oorsprong (zoals die van vogels en insecten) streven elementaire krachten naar convergentie, zowel in vorm als in functie. Teilhards idee van parallelle fysieke en spirituele evolutie die elkaar op één punt ontmoeten, dat onder vele namen God is, is de diepere achtergrond van de hedendaagse fascinatie voor de idee van convergentie. Maar zijn de aanwijzingen voor wat sommigen wellicht houden voor een ophanden zijnde convergentie niet meer dan een analogie en dus ongeschikt voor de meer serieuze implicaties die ze worden toegedacht? Zijn ze het resultaat van onachtzaam observeren en beschrijven? En zit er een tekortkoming in het begrip convergentie, zelfs in zijn hoogste en meest elegante formulering? Convergentie (beweging naar of eindigend in hetzelfde punt) is noch coalescentie (dingen die in elkaar groeien), concaulescentie (de coalescentie van gescheiden assen), concurrentie (gelijk op gaan), noch conglomeratie (tot een min of meer afgeronde massa gevormd worden). De krachten en trends van het menselijk bestaan komen altijd samen of gaan uiteen. Zelfs als ze schuin lopen zijn ze, in verhouding tot elkaar, afwisselend dichterbij of verderaf. Dat is de aard der dingen, maar doen alsof ze nu allemaal dichter bij elkaar lopen, of, nog gewichtiger, dat ze op weg zijn naar convergentie, is opgeblazen betekenis toekennen aan de normale patronen van het leven. Als we willen werken en winkelen gedurende 24 uur zonder regelmatig te rusten, en als we liever op elk moment bereikbaar willen zijn dan het risico te lopen een kans te missen doordat we ons terugtrekken, en als onze leraren spotten met een onderverdeling van hun stof in geschiedenis, literatuur en natuurwetenschap en in plaats daarvan een vormeloze «interdisciplinaire» bouillabaisse presenteren die hen ontslaat van de plicht te weten waar ze over praten - dan is dat niet omdat we op de drempel staan van een of andere geweldige «convergentie», maar omdat we de discipline, de vastberadenheid en de wijsheid missen die vereist zijn als we onderverdelingen willen handhaven en onderscheid willen maken. Het is dan ook niet erg verbazingwekkend dat we, in deze tijd, proberen dit ernstige gebrek een metafysische gloed te geven totdat het een succes lijkt. Generatie na generatie tracht, als de omstandigheden goed zijn, haar eigen onmogelijke opdracht te vervullen, waarbij ze meent dat ze vlak bij de antwoorden is op de eeuwige vragen waarvan ze zelfs niet in de buurt van een oplossing kan komen. Een autonome vertakking hiervan is de wetenschappelijke arrogantie die, terwijl ze zich voedt met de natuurlijke eerbied van de mens voor het krachtigste instrument dat hij tot nog toe heeft ontwikkeld, een wereld voortovert die wordt geregeerd volgens wetenschappelijke principes, een zogenaamd goedwillende dictatuur van de experts. Maar hoewel de natuur te herkennen is aan de eenvoud en elegantie van haar wetten, waaraan alle natuurverschijnselen onderworpen zijn, is de mensheid anders. Zij is een zwerm van talloze en verrassende variabelen en kan niet worden begrepen, laat staan geregeerd, volgens wetenschappelijke principes. Als zulke regels op haar worden toegepast, zijn dood en ellende het resultaat. Zoals de geschiedenis van de halve wereld in deze eeuw laat zien : zelfs als zoiets systematisch en zelfstandigs als een economie wordt geregeerd volgens «wetenschappelijke principes» (wat niets anders is dan wat een of ander feilbaar persoon zegt dat het is), eindigt het in een jammerlijke mislukking. De mensheid heeft voor haar begrip en bestuur niet de wetenschap maar de kunst nodig, en wanneer dat wordt vergeten, zoals in het geval van Samuel Johnsons natuurfilosoof die, nadat hij een fles onder stroom heeft gezet, denkt dat oorlog en vrede onbetekenende kwesties zijn, is het resultaat onderdrukking. Het gevolg is een irrationele mensheid die door gefrustreerde en gekrenkte meesters wordt gedwongen te doen wat zij verwachten; en wie daaraan twijfelt, vraagt het maar aan de geschiedenis. Wij staan op de rand van een nieuw millennium en hoewel de numerologie van het millenniarisme nog minder verband heeft met gebeurtenissen of uitgangspunten dan de stand der sterren en planeten met het lot of het humeur, is de macht van gecoördineerd geloof, massasuggestie en massa-illusie aantoonbaar verantwoordelijk (net als tijdens de laatste millenniumwende) voor het gevoel dat er iets staat aan te komen, wat allemaal inspeelt op het diepgewortelde verlangen naar een definitieve oplossing. Zelfs in het marxisme zal ‘contradictie’ een 'val’ veroorzaken na een 'strijd’, en de uitkomst zal, zoals in de meeste religies, de convergentie zijn van voorheen gescheiden elementen, in harmonie, in een «nieuwe hemel en een nieuwe aarde». Niet alleen willen wij die nu leven dat meer dan iemand het ooit heeft gewild, mijn generatie, de generatie die is geboren na de oorlog, is ervan overtuigd dat ze het ook verdient. Onze vaders kwamen terug na een strijd van mythische proporties, en hun overwinning was absoluut. In de Onafhankelijkheidsoorlog veroverden we zelfbeschikking maar we vernietigden Engeland niet. Na de Burgeroorlog verrezen we als één volk dat desondanks voor de helft was verslagen. En in de Eerste Wereldoorlog sloten we een overeenkomst met een tegenstander die we niet hadden kunnen verpletteren en zich doen aanpassen. Maar in de Tweede Wereldoorlog vernietigden en bezetten onze legers vijandelijke landen met meer macht en dreiging dan we zelf ooit hadden ervaren. We verpletterden ze, en veroverden elke centimeter. Op een beroemde foto struint Churchill enthousiast door de restanten van Hitlers Kanselarei. Het was voorbij. Het was absoluut. Het was meer dan wagneriaans. Daarbij vergeleken was de Ilias een jongensboek. En toch, dit waren onze vaders, slechts een generatie van ons vandaan. Zij vertelden ons dat wij slimmer waren dan zij, dat wij op hun schouders zouden staan, dat zij voor ons hadden gevochten (wat waar was), en dat wij hen zouden overtreffen. Omdat ze puur door de omstandigheden nooit een dergelijke mogelijkheid zouden krijgen, gingen velen van ons zich die kansen dan maar inbeelden. Drugs hielpen daar waarschijnlijk een beetje bij, net als de overdaad aan materiële dingen, en de teloorgang van het onderwijs. Deze generatie heeft het verleden misbruikt en onteerd en zichzelf wijsgemaakt dat ze in staat is de wereld te herstellen en herscheppen - niet volgens de principes waarvan voorgaande generaties met bloed de juistheid hebben bewezen, met geduld, en met wijsheid, maar juist in strijd met die principes, met een eigen systeem van zelfgemaakte wetten, waarvan er nauwelijks één níet zal leiden tot precies die ellende en vernietiging die zij niet kent, omdat ze boven zulke dingen uit is getild door het verstand en de opofferingen van haar ouders. Deze generatie, die meer heeft gedaan dan enige andere generatie om de oude pezen door te snijden die ons in leven en welzijn hebben gehouden; deze generatie, karakterloos, koopziek en ijdel, die het vermogen is kwijtgeraakt zich te schamen, deze generatie, die de geschiedenis heeft onteerd, het woord begraven, de rust vermoord en die er alles aan heeft gedaan om de wereld tot een tekenfilm te maken, is ervan overtuigd dat ze op iets reusachtigs afstevent: convergentie, samenvoeging, theorieën van alles, onsterfelijkheid, volmaaktheid. Maar is dat wel zo? Neem bijvoorbeeld eens haar hoopvolle kreten over onsterfelijkheid. Als goede hermetisten hebben sommigen die over zulke dingen speculeren zich het idee eigengemaakt dat onsterfelijkheid binnen bereik is. Het doet er niet toe dat de wereld van het leven als een rivier is die mysterieus over een klif verdwijnt, en dat van al de miljarden die ons zijn voorgegaan, en van al de miljarden die vandaag in leven zijn en die onverbiddelijk naar die rand toe bewegen, niet één enkel mens niet over de rand is gegaan, of niet zal gaan. Tegenwoordig is het in bepaalde kringen en vogue om jezelf te troosten met de hoop dat deze dood zal worden overwonnen door een apparaat als dat waarin het wonder van de spreadsheet huist. Maar tussen verwachtingsvolle lippen en deze beker liggen afstanden zo enorm dat je maar beter goed om je heen kunt kijken nu het nog kan, want zelfs als in een of andere verre toekomst de gehele inhoud van ons geheugen kan worden bewaard of overgezet op een of ander opslagmedium, is het niet de optelsom van die dingen waardoor de ziel wordt bepaald, maar de manier waarop ze zijn geòntegreerd en met welke snelheid, diepte, dapperheid en onvoorspelbare wit. Het ging er niet om wat Raphaël allemaal wist, maar dat er dingen vol schoonheid simpelweg uit zijn vingers vlogen. Alle enorme werelden van informatie bijeengebracht in de Library of Congress vormen, in hun totaliteit, nog niet het miniemste begin van een leven. Net zo min als ze zomaar aan elkaar koppelen bewustzijn zou creëren, waarvan de essentie nog steeds een diep en definitief mysterie is. Er zal nooit een beter mechanisme worden gevonden om de ziel tot wieg te dienen dan wat ons is gegeven, en als er uiteindelijk iets in de buurt komt, zal wat wordt weggelaten datgene zijn wat ten onrechte het belangrijkst lijkt. De illusie dat de mens te perfectioneren is, is gebaseerd op onwetendheid van zijn zo magnifiek complexe aard, die zo delicaat en schitterend is gewogen en in balans gebracht dat het bijstellen ervan veel minder zou opleveren dan, bijvoorbeeld, het herschrijven en overtreffen van Shakespeare of een beat zetten onder Mozarts «Soave sia il vento». Zelfs de faxloze en onwetende middeleeuwers wisten dat onsterfelijkheid een van de dingen was die niet alleen in de hemel maar ook in de hel thuishoorden. Vandaar Paolo en Francesca en hun eeuwige kus. Tegenover elke overwinning staat een nederlaag. Dat is het evenwicht van de menselijke natuur, en dat kan niet worden bijgesteld. En toch blijven we denken dat dat kan. Vaak, zoals bij Daedalus en Icarus, is het een kwestie van verhoudingen, van tempo, van aanpassing, geduld en nederigheid, omdat onze bedenksels al te snel onbestuurbaar worden. Stalin, Hitler, Mussolini, Mao en hun honderden miljoenen volgelingen waren allemaal overtuigd van een droom van volmaaktheid die ze eerst naar hun land en vervolgens naar de wereld zouden brengen. Maar je hoeft geen psychotisch staatshoofd te zijn om aan die waanvoorstelling te lijden. Toen ik studeerde had ik een vriend die dolgraag de grootste bibliotheek van de wereld wilde platbranden, letterlijk, om alles wat zich erin bevond (vrijwel alle vastgelegde menselijke kennis) te vervangen door de inhoud van zijn gehavende notitieblok. Volgens hem zou dit het begin van een rechtvaardige nieuwe orde zijn. Het spreekt vanzelf dat hij mij niet wilde laten zien wat hij had geschreven, omdat mijn bestaan zich op een te laag niveau afspeelde. De elektriserende stroom van hybris is van dien aard dat hij door alle klassen, alle soorten en alle tijden heen golft. Iemand die begrijpelijk en wellicht vergeeflijk vooral op zichzelf is gericht kan makkelijk de loop der dingen houden voor een deel van een voorbestemde of zich ontvouwende harmonie die gunstig is voor zijn eigen lot of overtuigingen. Gebrek aan nederigheid is het gevolg van onvoldoende aandacht voor hoe de wereld werkelijk werkt. Teilhard de Chardins herkenbaar hermetistische concept dat verlossing wordt bereikt door de ontwikkeling en convergentie van menselijke capaciteiten met het goddelijke, is een doctrine met een donkere kant die hij optimistisch en vol vertrouwen negeerde, een kant die de dichter Yeats (hij van het 'balancing this life with this death’) uitdrukt met een alledaagse en onthutsende schoonheid: «There all the barrel-hoops are knit,/ There all the serpent-tails are bit, / There all the gyres converge in one,/ There all the planets drop in the sun.» Dat er iets helemaal mis is met dat idee van convergentie, zelfs in zijn hoogste en meest verheven formulering wordt ondersteund door de meest welsprekende kritiek erop, in «Everything That Rises Must Converge», een eenvoudig en diepzinnig verhaal van Flannery O'Connor. In dat verhaal rijden een moeder en een zoon in een bus door het net geïntegreerde Zuiden van Amerika. De moeder houdt vast aan de oude gebruiken en heeft daarin duidelijk ongelijk, maar in de praktijk is ze een aardig en goed mens. De zoon is de apostel van vooruitgang en rechtvaardigheid, maar in de praktijk is hij bekrompen, burgerlijk en wreed. Hij staat voor trots op prestaties, geloof in de komende perfectie, rede, rechtvaardigheid en het lineaire concept van de geschiedenis. Zij: nederigheid, traditie, behoud van het oude, circulariteit, continuòteit, genade en vergeving. Het is geen toeval dat in de interactie tussen die twee in de context van hun individuele strijd de zoon ontdekt dat zijn handelingen «zijn entree in de wereld van schuld en verdriet» mogelijk hebben gemaakt. En het is geen toeval dat de titel van het verhaal, dat Flannery O'Connor opdroeg aan de grote Franse filosoof, van Teilhard is, want het is een fluwelen weerlegging van zijn overtuiging dat de mensheid zich kan ontwikkelen tot volmaaktheid. Als verlossing afhangt van ontwikkeling en vooruitgang, wat betekent dat voor de lammen, de zwakken, de verwarden en de onderdrukten? Zijn zij dientengevolge minder geliefd bij God? In één enkel verhaal zette de dodelijk zieke Flannery O'Connor, met de Zuidelijke en Keltische kennis van hoogmoed en nederlaag van nature in haar bloed, Teilhards grootse eruditie en zalige dromen schaakmat. Dat deed ze met net zo'n volkomen onverwachte, adembenemende kracht als Jeanne d'Arc of Anne Frank. Zij, die nooit wereldlijke roem zou kennen, of bij haar leven beloond zou worden, die stierf zonder echtgenoot of kinderen, die leed en geen macht kende - zij kende de eenvoudige waarheid dat verlossing in feite een kwestie van genade is. Dat wil zeggen dat, uiteindelijk, de mens simpelweg niet in staat is de hogere delen van zijn noodlot zelf te construeren, en dat hij dit dient te beseffen om zelfs de makkelijkste hindernissen te overwinnen die hij op zijn pad zal tegenkomen. Convergentie is niet een feit ergens aan de horizon maar een listigheidje van de menselijke ijdelheid. Je kunt wachten zo lang als je wilt, het komt toch niet. Mark Helprin is senior fellow van het Claremont Institute for the Study of Statesmanship and Political Philosophy, redacteur van de Wall Street Journal en schrijver. Dit artikel verscheen eerder in Forbes ASAP. Vertaling: Rob van Erkelens