Litanie over ontbrekend verlangen

JEROEN THEUNISSEN
EEN VORM VAN VERMOEIDHEID
Meulenhoff/Manteau, 241 blz., € 22,50

Horacio Gnade is getrouwd, heeft een dochter, is docent Spaanse en Hispano-Amerikaanse literatuur in een kleine Duitse stad en is er tot nu toe in geslaagd zich te verweren ‘tegen overdreven hoop, tegen metafysica, tegen het irrationele’. Hij is in Zuid-Amerika geboren, spreekt verschillende talen vloeiend, houdt niet van lawaai en koopt soms ecoproducten omdat hij en zijn vrouw er het geld voor hebben. Tijdens gesprekken die er niet toe doen op gezellige avonden met vrienden die er niet toe doen zegt hij vaak ‘natuurlijk’, ook als er niks gevraagd is. Hij vindt meningen en politieke discussies altijd ‘interessant’. Kijkt in de spiegel of hij in zijn ogen zijn ziel kan zien (niks te zien, natuurlijk). Hij zegt altijd dat een of andere mening ‘interessant’ is en daar blijft het bij. Met deze figuur laat Jeroen Theunissen ons in zee gaan, hij houdt ons een spiegel voor. Kijk, daar gaan we, wij, nette mensen met een leuke baan en een mooie achtergrond, die niks meer geloven, het allemaal wel zullen zien, daar gaan we op weg naar een feestje, waar we de gastvrouw met haar instemming onzedelijk betasten, waar we salade opscheppen en over ons verblijf in Kroatië vertellen: ‘Hij vertelt hoezeer het oude centrum van Dubrovnik de moeite loont, ook het waardevolle paleis van Diocletanius in Split.’ Zo’n man dus, een normale man die de leegte opvult, ‘die niet gelooft, maar wel functioneert, en hij mag tevreden zijn’.
In het begin van deze roman lijkt het erop dat Theunissen een veel beproefd stramien van actuele literatuur volgt. De ‘gewone’ mens afzeiken. Een type neerzetten: ‘de’ kleinburger, ‘de’ politicus, ‘de’ huisvrouw, ‘de’ zakenman, in dit geval ‘de’ wereldvreemde academicus. Om er eens flink gehakt van te maken. Kijk eens wat een eikel! Een riskant genre omdat je als schrijver maar al te snel op superieure wijze buiten schot blijft. Schrijvers weten alles beter, die hebben nu eenmaal een scherpere blik. Wat een misverstand, schrijvers zijn uiteraard net zulke eikels. Kortom, ik wantrouw dit genre, denk tijdens lezing altijd: ga een godverlaten mooi, obsceen of walgelijk boek schrijven in plaats van met je vinger te wijzen. Wie het beter weet moet geen schrijver worden maar politicus of profeet.
Theunissen kent deze valkuil, hij heeft geen zin erin te vallen en dus graaft hij met een fijnzinnig fileermes steeds dieper en venijniger naar motieven en drijfveren van zijn op drift geraakte wetenschapper. En vervolgens krijg je als lezer steeds dwingender het idee dat deze opgewekt ogende schrijver uit Gent het niet over een foute ‘ander’ heeft maar over zichzelf. Dat deze roman een zeer geslaagde poging is de intellectuele wanhoop, wie weet zelfs het failliet van een milieu waar hij zelf toe hoort, te becommentariëren, ja, te analyseren. De antiheld raakt in een vooral op zelfmedelijden berustende crisis, die je met wat goede wil in termen van een depressie kan beschrijven. In een impuls verlaat hij vrouw en kind en zijn veilige milieu en probeert door een lange reis langs allerlei wereldsteden en werelddelen te ontsnappen aan zijn alles verpletterend cynisme. Langzamerhand raakt zijn spaargeld op, een weg terug is er niet meer, op het laatst telt hij ongeveer op iedere bladzijde zijn laatste centen en ten slotte heeft hij niets meer. Bij dit gegeven dreigt nog een tweede valkuil, waar Theunissen meer dan behendig overheen stapt. Je kunt natuurlijk van zo’n reis een romantische poging maken om de held tot zichzelf te laten komen, om hem de ‘waarheid’ of zoiets raars onder ogen te laten zien. Om hem eindelijk te bevrijden van zijn cynisme. Vaak genoeg vertoond in literatuur. Ja, morgen brengen. De held reist ten slotte inderdaad, zoals dat hoort, naar het meest verafgelegen gebied dat er maar bestaat. Patagonië, doel van veel romantische types die hem vooraf zijn gegaan. Maar ook hier gaat het mis. Het activisme van allerlei vage Zuid-Amerikaanse ‘kameraden’ strandt in opzichtige lulligheid en onduidelijk gedoe, waar de held wel aan meedoet, maar altijd vervuld van zijn eigen onmacht, die zich alleen af en toe ontlaadt in machteloze destructieaanvallen: ‘Vernietigen, we moeten ze vernietigen.’ Maar wie precies vernietigd moet worden weet hij niet eens.
Het mooie van deze roman is dat er ook voor mij veel viel te herkennen, ja, ook ik ben er zo eentje als deze antiheld. Van een afstandje toekijken en vooral bezig zijn met zichzelf. En altijd die hypernerveuze zelfreflectie, Theunissen schept er geweldig plezier in dat te laten zien. Hoe de held bijvoorbeeld salade opschept en zichzelf tegelijkertijd allerlei prietpraat ‘hoort en ziet zeggen’. Met als hoogtepunt de scène waarin de antiheld zichzelf ziet zoals hij denkt dat hij is: ‘Hij stelt zichzelf voor: een man staart in de verte. Er zou aftiteling bijhoren: einde van de film. Een man die er niet naar streeft om bevrijd te worden, van niets of niemand, een normale man staart in de verte. Einde film.’ Het zijn zinnen waar je geweldig om kunt lachen, vooral omdat ze allerlei pijnlijke kanten hebben. Er valt veel meer te lachen in dit boek; om jezelf lachen, dat blijft toch het mooiste, hoe pijnlijk het ook kan zijn, er zit niks anders op.
Maar Theunissen ontstijgt door zijn steeds volgehouden laconieke stijl de ironie. Aan de ene kant schetst hij met veel venijn een milieu van in zichzelf gekeerde nitwits. Aan de andere kant is zijn roman een tragische litanie over ontbrekend verlangen.