Fik Meijer, Macht zonder grenzen: Rome en zijn imperium

Litanie van gevallenen

Fik Meijer
Macht zonder grenzen: Rome en zijn imperium
Athenaeum-Polak & Van Gennep, 400 blz., ¤ 19,95

In het jaar 298 houdt Eumenius, kort tevoren benoemd tot rector van een retorenschool te Autun, ten overstaan van het stadsbestuur een gloedvol pleidooi voor het opknappen van het schoolgebouw. Gallië is in de derde eeuw een politieke en culturele chaos geweest, maar nu keizer Diocletianus met een viermanschap strak leiding geeft aan het enorme Romeinse rijk lijkt er een periode van voorspoed aan te breken. Eumenius meent zelfs dat de Gouden Tijd uit het mythische verleden weergekeerd is. In de zuilengalerij van het vervallen schoolgebouw is ooit een fraaie wereldkaart aangebracht. «Mogen de jongelui aan de hand daarvan de schitterende krijgsverrichtingen van de dapperste veldheren land voor land bestuderen, mogen zij, terwijl de ene na de andere overwinning gemeld wordt, steeds weer hun ogen laten gaan over de twee rivieren van Perzië, de dorstige grond van Libië, de kromme hoorns van de Rijn en de vele mondingen van de Nijl. Geconcentreerd zullen ze op de kaart kunnen volgen hoe onder uw mildheid, verheven Diocletianus, Egypte zijn razernij aflegt; hoe gij, onoverwinnelijke Maximianus, met uw bliksems de Moorse horden neerslaat; hoe onder uw rechterhand, heer Constantius, Betuwe en Britannië met hun ruige koppen opduiken uit wouden en golven; en hoe gij, Galerius Caesar, de Perzische bogen en pijlkokers vertrapt. Want nu, ja nu pas kunnen we met vreugde die afbeelding van de wereld bekijken, nu er niets meer op te zien valt dat niet van ons is.»
Dit is in verschillende opzichten een leerzame tekst. In de eerste plaats blijkt eruit dat deze Gallische schoolmeester van Griekse komaf zich geheel identificeert met het Romeins imperialisme, dat zich niet anders kan manifesteren dan door steeds nieuwe veroveringen. Jupiter had het in Vergilius’ Aeneis al gezegd: «imperium sine fine dedi» (ik heb hun een rijk zonder grenzen gegeven). Rome kan pas op zijn lauweren rusten wanneer het de gehele wereld in zijn macht heeft. In de tweede plaats weten wij dat de eeuwige stad een eeuw later door Visigotische benden geplunderd zou worden, om nooit meer tot haar oude glorie te herrijzen. Het Romeinse rijk dat Eumenius voor zich zag, bestond al lang niet meer. Toch kun je niet zeggen dat Eumenius een onzinnige illusie koesterde. Voor hem en zijn tijdgenoten brak er werkelijk een bloeiperiode aan. Dat die nog geen eeuw zou duren, is geen reden om er meewarig over te doen. Voorspoed is voorspoed, ook al duurt die slechts enkele decennia, en gelukkig beschikken we niet over het vermogen in de toekomst te kijken. Wie aan het begin van de twintigste eeuw door Parijs, Londen of Berlijn kuierde, voorzag niet dat er binnen vijftig jaar twee wereldoorlogen uitgevochten zouden worden. Evenmin staan wij erbij stil dat het Imperium Americanum de komende eeuw plaats zal maken voor een mondiale hegemonie van de Chinezen. Of de Perzen. Als we Bot en Kamp mogen geloven, heeft Nederland zo’n beetje het beste leger van Europa. Zij hebben er geen last van dat ons land niet meer de wereldmacht is die het in de zeventiende eeuw dacht te zijn.

Het met vaart geschreven Macht zonder grenzen van Fik Meijer nodigt uit tot bespiegelingen als deze. In krap vierhonderd bladzijden jaagt de auteur er ruim duizend jaar doorheen, waarbij hij zich vooral richt op de imperialistische aspecten van het Romeinse rijk. Juist doordat de eeuwen elkaar in duizelingwekkend tempo opvolgen, en doordat wij van meet af aan de afloop kennen, krijgen al die oorlogen, al die machtswisselingen iets onmiskenbaar tragisch. Waarom zou je iedere keer opnieuw tienduizenden levens opofferen voor het instandhouden van iets zo tijdelijks als een wereldrijk? Zelden heb ik een boek gelezen waarin zo massaal wordt gestorven als hier. De grote getallen gaan na enige tijd werken als magische formules. «In de vijftien jaar dat deze oorlog nu duurde waren bijna zevenhonderd schepen verloren gegaan.» «Twee gevechten in een paar maanden tijd hadden twintigduizend Romeinse soldaten het leven gekost.» «Het gevecht duurde nog geen drie uur, maar in dat korte tijdsbestek verloor de Romeinse consul Gaius Flaminius vijftienduizend man.» «Aan Romeinse kant stierven volgens Livius 45.500 legioensoldaten en 2700 ruiters.» «Van de tweehonderddertig schepen van Antonius die aan de slag deelnamen gingen er minstens honderdveertig verloren.» Wat een verspilling van mensenlevens, maar ook van geld, van hout, van ijzer, om nog maar te zwijgen van al die gesneuvelde paarden en olifanten en al die geofferde runderen.

Meijer laat er geen twijfel over bestaan dat de Romeinen bij het uitbreiden van hun territorium doelmatig te werk gingen. Weliswaar deden ze het voorkomen alsof alle door hen gevoerde oorlogen hun waren opgedrongen, maar niet zelden vergde het buitengewoon ingenieuze argumentaties om aannemelijk te maken dat de zoveelste veroveringsactie uitsluitend uit zelfverdediging was ondernomen. Oorlogen behoorden rechtvaardig te zijn. Om dat te garanderen hadden de Romeinen een onweerstaanbaar grappig ritueel ontwikkeld: «Een priester (fetialis) ging met bedekt hoofd naar de grens van het grondgebied van de vijanden. Met stemverheffing vroeg hij genoegdoening voor het onrecht dat de Romeinen was aangedaan. (…) Na deze woorden wierp hij een speer in het land van de vijand, trok dieper het land in en herhaalde zijn woorden ten overstaan van de eerste persoon die hij tegenkwam. Hij deed dat nog een keer vlak voor de poorten van een vijandelijke stad. (…) De vijanden kregen dertig dagen om over de eisen na te denken.»

Maar toen de Romeinen buiten Italië gingen oorlogvoeren, kon deze ceremonie niet meer worden uitgevoerd: het zou domweg te veel tijd kosten om een priester naar de Rijn of de Eufraat te sturen. Maar geen nood: «Vlak naast de tempel van de godin Bellona werd een stuk grond tot vijandelijk gebied verklaard. De fetialis wierp zijn speer erin en wachtte op het antwoord van de vijanden, dat natuurlijk uitbleef. Met deze rituele handeling voldeden de Romeinen aan hun eigen voorwaarden voor een rechtvaardige oorlog.» Zou men dat in ons parlement niet een «katholieke» oplossing noemen? Minister Kamp moet dit boek onmiddellijk gaan lezen.