Literair bijklussen

of het Fonds: Catch-22

Arjan Peters schreef kort geleden een venijnige column over schrijverssubsidies waarin hij niet alleen man en paard noemde maar ook de bedragen. Iedereen meteen geschrokken, ook het Fonds voor de Letteren, je mag dit soort dingen niet zeggen. Handen af van de werkbeurzen voor schrijvers. Ik wil natuurlijk ook zo’n beurs maar ik kom niet in aanmerking. Daar zit iets merkwaardigs achter waar ik de laatste tijd wel eens van wakker schrik. Ik krijg hem niet omdat ik te veel geld verdien want je komt alleen in aanmerking als je onder een bepaald belastinginkomen blijft, in 2005 was dat 45.000 euro. Mooi, zou je zeggen, waar maak je je zorgen over en wat loop je nou te zeuren, je verdient blijkbaar genoeg.

Het eigenaardige is dat mijn salaris voor een niet gering deel bestaat uit geld dat ik met schrijven verdien, het is ongeveer de helft ervan. Dat schrijfgeld bestaat uit de opbrengst van doodgewoon schrijfkoeliewerk. Recensies, opdrachten, verhalen voor tijdschriften, catalogi, optredens, essays, stukken in kranten, klussen voor uitgevers, rare projecten. Ik kreeg overigens een keer van het Fonds een mooie verblijfbeurs om in het nias in Wassenaar een roman te schrijven (12.000 euro), ik zat daar vijf maanden op kantoor. Ben ik nog altijd dankbaar voor. Die beurs was inkomensonafhankelijk anders had ik niet eens gesolliciteerd. Ik laat me dus voor van alles en nog wat betalen en dat wordt weer allemaal bij mijn andere inkomen opgeteld. Er komt ook geld uit de verkoop van mijn romans, daar wilde ik het liever niet te lang over hebben want dat stelt dus niet erg veel voor. Al met al moet ik gewoon keiharde literaire arbeid verzetten om rond te komen. Niet erg, ik doe het uit idealisme en om in de smaak bij de vrouwen te vallen.

Maar nu de pointe. Zodra ik zou ophouden met mijn literaire kluswerk kom ik direct in aanmerking voor een werkbeurs van het Fonds, want ik zak dan direct onder de inkomensgrens en ik voldoe verder aan alle voorwaarden. Als ik stop, krijg ik geld, als ik doorwerk krijg ik het niet. Vrienden zeggen dat ik moet stoppen. Ga toch gewoon alleen romans en gedichten schrijven, ook al snapt niemand ze, dat is juist een voorwaarde, snap dat toch eens. Jij krijgt meteen 60.000 euro en een roman zet je zo even in elkaar, dat kun je nu wel. Bij het Fonds hebben ze ook liever dat ik mooie boeken schrijf, daar is die subsidieregeling juist voor. Ik word dus verdomme financieel gestraft voor dat literaire schrijfkoeliewerk van me. Nu snap ik pas waarom veel van mijn schrijfcollega’s een beetje meewarig hun hoofd schudden wanneer ze het over mijn recensies en artikelen hebben. God, jongen, doe jij dat nog? Je moet je toch eens na laten kijken.