Literair correcte poets

Andrew Crumey, Pfitz. Uit het Engels vertaald door M. Dijkstra. Uitg. Atlas, 175 blz., 339,90
De buitenkant van dit boek is de spiegel van de binnenkant - en omgekeerd. De naam van de auteur ben ik niet eerder tegengekomen, dat zegt niets èn het past in het verhaal. De schrijver op de flap oogt als een frisgewassen, vers afgestudeerde, montere jongeman, niks mis mee; verdere gegevens, ook over eventueel eerder werk, ontbreken; in de citaten uit Engelse recensies is sprake van het verschil tussen feit en fictie en schijnt Crumey een avontuurlijk schrijver te zijn omdat hij over het verschil daartussen heeft nagedacht en gebruik maakt van filosofie en fantasie, en een ander citaat geeft als gebruiksaanwijzing: ‘Een goed geschreven en ingenieuze roman vol postmoderne trucs in de Europese traditie.’ Dat belooft wat.

Twee eeuwen geleden bedenkt een vorst op papier een stad om zijn aan de pokken gestorven verloofde te eren, een Stad als Monument. Die zou een droom blijven, een concept, een ideële stad, maar hielp hem wel om in een jaar of vijf zijn verdriet weg te werken. Vervolgens verzint hij nog de Stad als Fantasie, de Stad als Viering en de Stad als Vermaak. Maar ernst wordt het pas met de Stad als Encyclopedie, Rreinnstadt gedoopt, een stad waarin Museum en Bibliotheek, gebouwd als twee helften van een brein, tot in details alles in heden, verleden en toekomst bevatten. De hele staat offert zich op voor deze imaginaire stad. In de bibliotheek moeten de planken gevuld worden met nog te schrijven boeken, die in teamverband worden gemaakt. Een groepje van vijf schrijft romans voor een denkbeeldig auteur op basis van gegevens van de afdeling Biografie en daar werkt men de levensloop van auteurs en personages bij op grond van dat literaire werk. Voor de auteur van dit boek, Pfitz, of zijn plaatsvervanger in de roman, biedt dat idee alle gelegenheid om met zijn lezer van gedachten te wisselen over toeval en lot, of ons de vraag voor te leggen of wij misschien niet verzinsels zijn in een veel groter verhaal of in de droom van iemand anders leven, en anders geeft hij wel een potje taalfilosofie ten beste. Nee, we hebben geen last van reminiscenties, namen noemen we niet.
Een cartograaf, afdeling Waterhouden de grondlagen, ziet op een kaart van een bepaalde dag in de stad - immers, elk ogenblik wordt tot in details geboekstaafd - op de vloer voor het bed in een hotelkamer, waar een graaf zijn intrek neemt, een naam: Pfitz. Om een roodharige schone op Biografie die met de graaf bezig is te veroveren, schrijft hij voor haar het verhaal van diens knecht. Maar zij is meer bij de handeling betrokken dan hij denkt.
Uiteraard wordt dit een raamvertelling tot in de zoveelste graad, zijn er van een boek twee versies in omloop, krijgen personages het met auteurs aan de stok, figureren auteurs in hun eigen bedenksels - en is, om de clou maar te verklappen, Pfitz helemaal niet de naam van een personage, zoals de cartograaf dacht, maar het Duitse woord Pfütze op de plaats waar een echte naam is weggeveegd. Hussel wat Borges, Calvino, Diderot door elkaar, pas er de nodige postmoderne trucs op toe en u krijgt de karikatuur van Borges enz.: een spiegelkabinet, een literair correcte roman, en wie weet is de foto op de flap die van een handige computerjongen.