Literair fastfood

Het gaat beroerd met de poëzie in Nederland. Je hoort het steeds vaker, van mensen die zich daar beroepshalve mee bezighouden, die regelmatig de thermometer in de aars van de literatuur steken en in de krant bezorgd verslag doen van de tegenvallende temperaturen. Niemand koopt meer rijm.

Je hoort zoiets en je denkt: het gaat beroerd met de poëzie, tjonge, mooi kut. Je loopt naar de ijskast en snuffelt aan het onsje lever van afgelopen zaterdag voor je het op je brood legt. Pas een paar uur later, als je met een onlesbare dorst achter je bureau zit, begin je je af te vragen: hoezo slecht? Poëzie heeft nooit die hysterische verkoopcijfers van romans, oké, maar het is heel waarschijnlijk dat het de kwaliteit van het werk alleen maar ten goede komt. Hoe meer mensen een boek kopen, hoe groter de kans dat er sufferds tussen zitten die, blindgehyped, geen flauw idee hebben van wat ze zojuist aangeschaft hebben.
Terwijl een laagje zweetcondens zich op je voorhoofd afzet denk je: en is poëzie niet juist iets voor nu, voor mensen met weinig tijd en een korte aandachtsspanne? Een goed gedicht, waarvoor je vier minuten lezen nodig hebt, blijft de hele dag in je hoofd hangen. Vaak voel je het de volgende ochtend nog. Literair fastfood.
Tegelijk met een zurig boertje komt de gedachte in je op: dus waar komt dan dat algemene malaisegevoel vandaan? Oké, Vroman staat met één been in het graf en Komrij dicht niet meer en Campert is te gelukkig, van Enquist word je ook niet helemaal goed en Herman de Coninck is net begraven onder een enorme dundrukzerk met leeslint, maar is dat nou echt reden tot treuren?
Nadenkend draai je de keukenkraan open en steek je je hoofd eronder. De kou is bitter en je denkt aan slechte dingen, je denkt aan de dichter Wieg die in Het Parool over dichters mag schrijven. Je denkt aan afgelopen zaterdag, toen je een boterham met lever zat te eten en in een stuk van Wieg las: ‘Maar het leven klopt en ruist ook totaal, metafysisch, terwijl de dichter angstig schuilt voor het relatieve, en juist door daarvoor te schuilen inziet hoe absoluut hij is in zijn besef van het relatieve.’ Snel steek je nog eens je kop onder de waterstraal maar het helpt geen moer, de bittere kou ontsteekt nieuwe Wieg-regels in je hoofd: 'Mijn ziel kan zijn gifstoffen door mijn traanbuizen heen uitspuwen bij enkele van zijn regels.’ Je recht je rug en gaat op weg naar de wc, eerst in klamme looppas, maar voordat je halverwege de gang bent in volle spurt. Onderweg denk je: konden woorden maar protesteren. Als je een meisje mee naar je zolderkamer neemt en haar zonder toestemming haar kleren uittrekt, krijg je de politie aan de deur, maar Wieg mag woorden van hun betekenis ontdoen zoveel als hij wil. Er is geen redacteur die zegt: 'Wieg, en nou kappen met die pompeuze wartaal. Een stuk dat voor de helft uit citaten van anderen bestaat wil ik niet meer zien en je hebt het nooit meer over jezelf. Begrepen?’
Na de eerste zure golven voel je je een stuk beter. Je staart neer in de wc-pot en denkt, verrek, net de Victory Boogie Woogie.