Literair ondernemen (2)

Mijn agent belt, roept ‘Darling’ en of ik het héél erg vind als we de lunch even een maandje doorschuiven, busy, busy, ja poesje, ik doe het allemaal voor jou.

Even paniekje. Ik weet niet waarom, maar voel de laatste weken een duidelijke attention-deficiency de kop opsteken. Eerst drie dagen niets laten horen en dan afgebeld of ik de eerste de beste Marokkaanse debutant ben. Misschien moet ik gewoon eens naar zijn kantoor marcheren en hem bij zijn Corneille-das vatten en gillen: ‘Ik wil aandacht!’ Niet dat hij daar gek van zou staan te kijken, met die bestseller-auteurs van ’m is hij wel erger gewend. Hoe beter ze sellen, hoe harder ze dreinen, is zijn motto. Zo laat Mulisch tegenwoordig niet twéé, niet dríe maar víer correctoren over zijn boeken heengaan. Op kosten van de uitgeverij natuurlijk, maar ze sparen wel weer een vormgever uit, want een lekker besmettelijk gitzwart kaftje in elkaar draaien, doet Mulisch veel beter zelf. Vindt-ie. Het verhaal gaat dat ze bij bureau Warmoesstraat een exemplaar van De procedure gebruiken om vingerafdrukken af te nemen als de inkt op is.
Dus ik slik m'n trots in, zeg dat het niet uitmaakt, want ik wilde vanmiddag toch een beetje aan mijn bundel schrijven. Dwing hem de belofte af dat het de volgende keer diner zal zijn, en bij Bordewijk, anders ga ik naar een ander toe met Sprookjestieten & andere verhalen. Hij lacht liefjes en zegt: 'Je bent braaf. Luister, je hebt het niet van mij, maar word goes dat de Amerikaanse en Engelse uitgever van Lulu Wang, nadat ze uiteindelijk het hele manuscript gelezen hadden, besloten hebben het toch niet uit te geven. Maar klap-toe-de-mond!’
Ik beloof het. Als hij neergelegd heeft, bel ik de Fleurop en stuur Loe een dozijntje theerozen, de ziel. Mensen die denken dat schrijvers mekaar het licht in de ogen niet gunnen, weten niet waar ze het over hebben; ik heb nou een keer of tien met haar gesigneerd en er is geen liever mens dan Loe Wang.
Daarna bel ik Oscarchen op zijn mobiele om deelneming te betuigen. Hij begint meteen weer over Mai Spijkers. Dat blijft een obsessie voor die jongen. Mai hier, Mai daar, tot ik op een gegeven moment zeg: Oscarchen, lieve jongen, jij hebt toch óók een heel leuk uitgeverijtje? Hij kalmeert een beetje en zet zijn auto even aan de kant, want hij heeft nieuwe auteursbiografieën nodig. Dat vind ik zo goed aan die jongen, hij is de enige in de business die doorheeft dat het verhaal óver een schrijver belangrijker is dan wat ook.
Oké, zeg ik, schrijf op: modejournaliste, leeftijd doelgroep, zegt baan op, verkoopt haar huis en vertrekt naar Zuid-Amerika om een boek te schrijven. Ho maar, zegt Oscar, hebben we net gedaan.
Goed, wat vind je hiervan: jonge auteur wordt door vijftig, nee, maak dat zeventig uitgevers afgewezen, vlucht naar Parijs en ontmoet daar, stomtoevallig, midden op straat de dochter van Maurice Chevalier, nee, van Jacques Brel, nee, Gérard Depardieu. Nou ja, zo iemand.
Been there, done that, zegt Oscar.
Onbekend manuscript gekocht voor torenhoog voorschot? Honderd keer gedaan, zucht hij.
Oké, zeg ik, luister. Deze slaat alles: jonge vrouw schrijft boek door goddelijke influistering. Jezus dicteert! Scheelt je een hoop royalties ook. Dankjewel, zegt Oscar, leuk idee, maar te onwaarschijnlijk. Trapt niemand in.