Literaire bric-a-brac

A. H. Nijhoff, Twee meisjes en ik. Uitg. Vita,: 271 blz. \f29,50; Marja Pruis, De lieflijke hel van het Hollandse binnenhuisje: Leven en werk van A. H. Nijhoff. Uitg. Vita, 83 blz., \f17,50
TOEN ANNIE Romein-Verschoor in 1935 met Vrouwenspiegel promoveerde op Nederlandse romanschrijfsters van na 1880, was ze opmerkelijk negatief over de literaire kwaliteit van de forse stapel vrouwelijke lectuur die ze had doorgewerkt. Op grote, oorspronkelijke schrijfsters was zij tijdens haar onderzoek eigenlijk nauwelijks gestuit. Nee, concludeerde Romein-Verschoor, de literaire houding van de vrouw hier te lande is volkomen ‘meegaand’. Ze gebruikt de door de mannen geschapen vorm om zich over te geven aan ‘al te vrouwelijke mededeelzaamheid’. Het wat is voor haar helaas belangrijker dan het hoe. Romein-Verschoor mag zich hier wel wat erg negatief uitlaten, feit is dat door haar behandelde schrijfsters als Margo Antink, Anna van Gogh-Kaulbach, Ina Boudier-Bakker, Jo Ammers-Kuller en Eva Raedt-de Canter voetnoten in de literatuurgeschiedenis vormen, of erger, in het moeras van de vergetelheid zijn verzonken.

Nu laat ik me graag van het ongelijk van Romein-Verschoor en latere geschiedschrijvers overtuigen. Vandaar dat ik de feministische bemoeienis met dat wat gewichtig ‘de canon’ heet van harte toejuich. Behalve Carry van Bruggen, Anna Blaman en Hella Haasse moet deze eeuw toch ook andere canonieke vrouwelijke prozaisten kennen. Er zou toch iets van waarheid moeten schuilen in het feministische adagium dat het geen toeval is dat juist vrouwen door het grofmazige net van de literatuurgeschiedenis vallen.
Zo laat feministische uitgeverij Vita sinds 1993 in de reeks 'Erf Goed’ werk van vrouwen verschijnen die 'uit de geschiedenis geschreven zijn’. Want, zo proclameert Vita, 'lezeressen, maar ook vrouwelijke auteurs, hebben vrouwelijke voorbeelden nodig om zich aan te spiegelen’. Ik zou niet weten waarom vrouwen zo nodig in een vrouwelijke spiegel moeten kijken, maar het is vanzelfsprekend mooi als er parels uit de zee van vergetelheid worden gevist.
Tot dusverrre omvat de reeks 'Erf Goed’ romans van Willy Corsari, Elisabeth Keesing en A. H. Nijhoff, verhalen van Til Brugman en poezie van Clara Eggink - alle vergezeld van een apart uitgegeven biografietje. Het spijt me, maar parels zijn het over het algemeen niet. De drakerige roman van Corsari, de conventionele rijmpjes van Eggink, het wat tuttig-impressionistische proza van Keesing - je kan alleen maar hopen dat ze niemand werkelijk tot voorbeeld dienen. Het zijn leuke snuisterijen, goed voor een winkel in literaire bric-a-brac. Iets wat in feite ook geldt voor de biografieen: ze bevatten aardige, een beetje onconventionele levensverhalen, die een mooi tijdsbeeld geven.
Deze winter verscheen de klassieker Twee meisjes en ik van A. H. Nijhoff, de nonconformistische vrouw van de dichter Nijhoff. Bij eerste publikatie in 1931 wekte de roman de nodige morele verontwaardiging over de vrijmoedige manier waarop de personages hun leven inrichten en de 'stuitende sexuele afwijkingen’ van een aantal van hen. Die consternatie is nu moeilijk na te voelen. Het boek verhaalt wijdlopig over de merkwaardige vriendschap tussen de arts Bill en twee jongere meisjes, de charmante wildebras Ann en de ziekelijke, diep-serieuze Juan. De geschiedenis van de vriendschap wordt verteld door Bill, waardoor de verhouding tussen de meisjes enigszins geheimzinnig blijft. Twee meisjes en ik is zeker sfeervol en beklemmend, maar ook hier struikel ik over de gedateerde, clichematige stijl en de talloze, weinig verrassende bespiegelingen over de raadselachtige menselijke natuur.