Gerard Groeneveld, Het bruine boek in Nederland

Literaire collaboratie

Gerard Groeneveld

Zwaard van de geest:

Het bruine boek in Nederland 1921-1945

Uitg. Vantilt, 429 blz., ƒ 59,90

Zou er misschien toch nog een Nederlandse Céline bij zitten? Of dan tenminste een Robert Brasillach, of desnoods een Lucien Rebatet? Voor wie enigszins op de hoogte was van de literaire collaboratie was al duidelijk dat Gerard Groenevelds boek Zwaard van de geest: Het bruine boek in Nederland 1921-1945 wat dit betreft geen verrassingen zou opleveren. Een Nederlandse pendant van zelfs het mindere werk van Céline lag natuurlijk niet in de lijn der verwachting, maar er is hier door nationaal-socialisten en/of antisemieten zelfs niets gepresteerd dat in de schaduw kan staan van Brasillachs Notre avant-guerre of Rebatets Les décombres. En het talent van de nazi-dichters George Kettmann jr., Steven Barends en Martien Beversluis was lichtjaren verwijderd van dat van Ezra Pound.

Literair talent was onder uitgesproken nazi’s in Nederland zeer schaars. Tegelijkertijd hebben gerenommeerde schrijvers zich min of meer afzijdig gehouden. Sinds de strafexpeditie van Adriaan Venema, begin jaren tachtig, was wel bekend dat een flink aantal zich allesbehalve moedig gedragen heeft, maar van een echte inschakeling in de Duitse propaganda was geen sprake. Nederlandse schrijvers konden over het algemeen niet van hun pen leven, zodat het voor hen gemakkelijker was dan voor musici of beeldend kunstenaars om hun artistieke activiteiten op te schorten of zich te beperken tot clandestiene publicaties. Zelfs een auteur als J.W.F. Weremeus Buning, die voor de oorlog duidelijk blijk had gegeven van fascistische sympathieën, weigerde zich voor het Duitse karretje te laten spannen en stond niet toe dat hij genomineerd werd voor een literaire prijs van het departement van Volksvoorlichting en Kunsten.

Het boek van Groeneveld is heel breed van opzet. Na een korte schets van de rol van het boek in het Italië van Mussolini en in het Derde Rijk beschrijft hij vervolgens het wedervaren van Nederlandse nazistische auteurs en uitgeverijen vóór de oorlog. Bovendien vergeet Groeneveld niet aandacht te schenken aan gerenommeerde uitgeverijen die in die jaren graag wat geld wilden verdienen aan fascistische literatuur. Zo lezen we dat de uitgever van prachtige bibliofiele uitgaven A.A.M. Stols in 1934 een reeks fascistische boeken, onder meer van Mussolini, wilde opzetten, terwijl uitgeverij Meulenhoff graag een vertaling van Mein Kampf in zijn fonds had opgenomen.

De bloeiperiode van het «bruine boek» viel uiteraard in de jaren 1940-1945. Hadden nationaal-socialistische uitgevers en auteurs het tot die tijd moeilijk gehad, nu kregen ze de wind in de rug. Niet alleen werden de media en het uitgeverswezen «gelijkgeschakeld», ook stimuleerde de overheid de publicatie van boeken die aansloten bij de geest van «De Nieuwe Orde».

Groeneveld beperkt zich niet tot boeken met een uitgesproken politiek karakter, of tot de letterkundige productie van nationaal-socia listen, maar hij analyseert ook de complete fondsen van nazi-uitgeverijen. Deze gaven immers ook allerlei kinderboeken, populair-wetenschappelijke werken en overige non-fictie uit. Groenevelds behandeling van deze materie lijkt behoorlijk uitputtend, en helaas krijgt ook de lezer dat gevoel. Na de zoveelste schets van een «foute» uitgeverij of een zestienderangs NSB-scribent begint de vermoeidheid toe te slaan. Als naslagwerk is het boek echter zeer nuttig.

Hoe groot de invloed van deze boeken is geweest, blijft echter onduidelijk. Helaas kan Groeneveld niet van alle publicaties de oplagecijfers geven. In die gevallen dat deze cijfers wél bekend zijn, blijkt dat uitgesproken nazistische en rabiaat antisemitische boeken, zoals Dr. Nathan Oppenheims medicinale baden, waarschijnlijk alleen in de relatief kleine kring van geharnaste collaborateurs werden gelezen. Andere boeken, waarin de «volkse» gedachte minder op de voorgrond trad, werden soms heel goed verkocht. Een belangrijke factor hierbij was dat naarmate de oorlog vorderde de overige ontspanningsmogelijkheden steeds verder afnamen en veel mensen een groter deel van hun vrije tijd gingen besteden aan lezen.

Ontspanningslectuur voor een laag opgeleid publiek wordt doorgaans aangeduid met de denigrerende benaming «pulp». Hoe juist dit soms kan zijn, laat Groeneveld zien in zijn beschrijving van de jeugdserie De drie-stuivers roman. Deze al spoedig wekelijks verschijnende boekjes over detective Philip Raack hadden een oplage van zeventigduizend exemplaren en bevatten, al dan niet geplagieerde, sensationele verhalen waarin tevens werd geageerd tegen joden, zwarthandelaren en het verzet. Een van de auteurs was W.H.M. van den Hout, alias Willem Waterman, de man die na de oorlog als Willy van der Heide de razend populaire Bob Evers-serie schreef. In de illegale pers werd al spoedig gewaarschuwd tegen De drie-stuivers roman. Omdat de hoofdfiguur soms dronken over de pagina’s zwalkte, en ook in andere opzichten een moreel niet erg hoogstaande figuur was, werd de reeks na protesten van het departement van Volksvoorlichting en Kunsten, de Kultuurkamer en van Mussert persoonlijk verboden.

Waar nationaal-socialistische publicaties nogal eens over een kam worden geschoren, laat Groeneveld duidelijk zien dat er niet alleen onderling grote kwaliteitsverschillen waren, maar ook dat de uitgevers bepaald niet een front vormden. Uitgebreide aandacht besteedt hij aan de onderlinge vetes, om te concluderen dat nationaal-socialistisch Nederland net zo verzuild was als de vooroorlogse samenleving waartegen men zich altijd zo had afgezet.

Aan het bruine boek is in de Universiteits bibliotheek van Amsterdam een kleine

tentoonstelling gewijd (t/m 1 juni).