Ik weet niet hoe het komt. Misschien omdat ik een scharrelaar ben. Maar in een open vuilniszak vind ik, behalve een paar doorweekte boeken van Harry Mulisch en Jan Wolkers, zo’n tien delen uit de Privé-Domein-reeks (PD) van De Arbeiderspers. (‘De PD-reeks is geen reeks voor pederasten, Holman!’ zei uitgever Sontrop eens tegen mij.) Zulke boeken weggooien is – voor mij – jonge hondjes verdrinken. Ik neem de vuilniszak mee naar huis.

De boeken van Mulisch en Wolkers zijn helaas al dood, die Privé-Domein-deeltjes kan ik nog redden. Ik aai ze. Daar komt opeens Boudewijn Büch op de redactie van Het Parool. Het is 1997. Hij gaat binnenkort weer op reis. Theo Sontrop heeft hem gevraagd een dagboek bij te houden en dat wordt dan gepubliceerd in de prestigieuze Privé-Domein-reeks.

Ik barst van jaloezie om een aantal redenen. De Arbeiderspers zal mij nooit voor zoiets vragen; ik speel voor hen in een lagere literaire league. Ook houd ik geen dagboek bij om de eenvoudige reden dat ik niets meemaak, en wat ik aan avonturen beleef zet ik meteen in de krant. En ik ben jaloers omdat ik Boudewijn heus heel aardig vind, en ik kijk in zekere zin tegen hem op, maar werkelijk begrijpen waarom zijn geschriften zo bewonderd worden en een succes zijn, doe ik niet. Ik ben een slordig auteur, maar hij is veel slordiger. Ik lieg veel, maar hij liegt nog meer. Boudewijn doet mij aan Ischa denken. Als je ze ontmoet is het meteen feest, cabaret, lol. Ik hou van de buitenkant van Boudewijn, zijn allure als schrijver. Zijn litteratuur vind ik matig. Boudewijn vertelt waar hij heengaat en als hij weggaat belooft hij mij een boekje. Ik kreeg het: Een boekenkast op reis. Eerlijk is eerlijk: ik genoot ervan. Ik kende dan ook veel mensen die erin voorkwamen. Ach ja.

Die PD-reeks had een doel: de auteur was meer dan zijn boeken. De vraag die destijds werd gesteld was: moet je het onbedoelde oeuvre van de auteur (dagboeken, brieven, persoonlijke notities, vondsten in de nalatenschap) betrekken bij de perceptie van zijn literaire werk? Stel, ik schrijf een schitterend boek, maar uit mijn dagboeken blijkt dat ik een fascistische schoft ben, werpt dat niet een te grote, onrechtvaardige schaduw op mijn literatuur? Of juist niet? Misschien is het een onzinvraag, maar wij discussieerden daarover. Je hebt het oeuvre en je hebt de mens. Moest je die scheiden of niet?

‘Ben je in Indië geboren?’ ‘Nee, mijnheer Van ’t Veer, in ­Amsterdam’

Wat deed Gerard Reve met zijn brievenboeken? Dat was toch zeker literatuur? En waarom zat Gerrit Komrij met zijn Verwoest Arcadië in de PD-reeks? Dat verhaal was toch als een roman geconstrueerd?

Ik kletste erover met Boudewijn. Hij zei: ‘Luister, ik heb de agenda van Reve waarin staat hoeveel hij heeft gedronken en dat vind ik grootse literatuur al staat er alleen maar “woensdag: vier flessen roodwijn.”’ We waren het eens. Toen ik kleiner ging wonen, heb ik de hele PD-reeks weggedaan. En daar heb ik nu grote, grote spijt van, maar waar had ik ze moeten laten? Misschien koop ik ze nog weleens terug. Hoewel… ga ik ze ooit nog lezen? Mijn leven is al herlezen als het likken van oude wonden.

Ik kijk naar mijn vondsten. Daartussen het boek dat mij aan Boudewijn herinnerde: De omgevallen boekenkast van Hans van Straten. Een heerlijk boek vol literaire anekdotes. Hans van Straten, biograaf van Multatuli en Hermans, journalist, was een aardige man en is helaas totaal vergeten. Boudewijn kende hem en het boek ook. De titel van Boudewijns boek was een knipoog naar het boek van Van Straten. Hans van Straten die ik nota bene ooit eens in het Multatuli-museum tegenkwam en die mij vroeg: ‘Heb jij bij Het Parool Paul van ’t Veer nog gekend?’ (Paul van ’t Veer, ook een Multatuli-biograaf, ook een journalist, ook een ondergewaardeerde literator.) Ik knik en zeg: ‘Die heb ik in 1972 gezien, ik was toen kopijloper bij de krant. Ik durfde mijnheer Van ’t Veer niet aan te spreken. Hij heeft mij wel ooit één vraag gesteld. Hij vroeg: ‘Ben je in Indië geboren?’

‘Nee, mijnheer Van ’t Veer, in Amsterdam.’
‘O, dat is heel jammer. Heel jammer.’
‘Maar mijn vader is in Indië geboren, mijnheer Van ’t Veer.’
‘O, dat is heel goed van je vader. Goed gedaan, zeg hem dat maar.’

Hans lachte en schreef dit op een systeemkaartje. Ik ben helaas niet in De omgevallen boekenkast terechtgekomen.