W.G. Sebald, De natuurlijke historie van de verwoesting, plus: non-fictie

Literaire luchtaanval

Decennialang kon in Duitsland niet de vraag gesteld worden of de geallieerde bombardementen op Duitse steden strategisch of moreel te rechtvaardigen waren. W.G. Sebald probeert het taboe te doorbreken.

Wat mij betreft had W.G. Sebald zijn boek De natuurlijke historie van de verwoesting, over de bombardementen op Duitsland in de Tweede Wereldoorlog, met twee in 1997 in Zürich gehouden lezingen over «Luchtoorlog en literatuur» (zoals de oorspronkelijke titel luidde) met het nawoord mogen beginnen: over de reacties die hij op zijn lezingen kreeg.

Sebald had trouwens een niet gering probleem: hij moest zijn onderwerp eerst construeren voordat hij zelf tot kritiek kon overgaan. Zijn uitgangsstelling was dat de massale luchtaanvallen op de Duitse steden in de Tweede Wereldoorlog een witte plek vormen in de Duitse literatuur. De vernietigingscampagne lijkt volgens de conclusie vooraf «nauwelijks een spoor van pijn (…) te hebben nagelaten in het collectieve bewustzijn». Literatuur en volk, dat zijn twee niveaus. Eerst moest Sebald zijn gehoor de basisfeiten geven over de luchtaanvallen op Duitsland; vervolgens moest hij de weinige literatuur bespreken die er wel is, bericht geving én literaire beschrijvingen, ook al twee verschillende zaken; bovendien moest hij iets zeggen over alles wat niet geschreven is én uitleggen welke rol literatuur vervult voor of namens het collectieve bewustzijn. Schandalig noemt hij het dat «het weinige dat de literatuur ons heeft overgeleverd in geen enkele verhouding staat tot de extreme collectieve ervaringen van die tijd, noch in kwantitatief, noch in kwalitatief opzicht».

Ik had het citaat hier kunnen afbreken en de schande zou over de literatuur zijn afgeroepen voor het grotendeels negeren van alle «extreme collectieve ervaringen». Ja, de literatuur moet veel, moet ook veel goedmaken wat andere vormen van documentatie zoals de geschiedschrijving hebben nagelaten. Maar of de literatuur dat allemaal aankan, welke schrijvers dat kunnen en met wat voor middelen, zijn vragen die minder vaak gesteld worden, en die Sebald helemaal niet stelt, zoals hij gemakshalve wel meer overslaat. Is wanneer het om honderdduizenden vluchten van bommenwerpers, een miljoen bommen, vuurzeeën, ruïnes en internationale militaire operaties gaat, die allemaal ook nog eens deel uitmaken van de wereldoorlog, literatuur nu echt het eerst aangewezen medium om het te verwerken? Kennelijk vindt Sebald van wel. Bovendien had de literatuur nog iets moeten doen wat de overlevenden tezamen als natie nalieten: janken. Anno 1997 vond Sebald het nodig om, vanuit Engeland overgekomen, in een Zwitserse collegezaal niet alleen de Duitse literatuur maar ook het hele Duitse volk de les te lezen.

Uit de kelders van de in ruïnes veranderde steden steeg bij warm weer in maart 1947 een vreselijke stank op. «Maar kennelijk is dat niet doorgedrongen in het sensorium van de overlevenden die nog steeds op de plaats van de ramp leefden», schrijft Sebald. De mensen bewogen zich «op straat tussen de verschrikkelijke ruïnes», aldus een eind 1945 gemaakte notitie van Alfred Döblin vanuit Zuidwest-Duitsland, «waarachtig, alsof er niets was gebeurd en (…) de stad er altijd zo uit had gezien». Apathie heet dat meteen in de volgende zin, onverschilligheid, of zelfs «zwijgende fascinatie». Zou de onverschilligheid die Sebald — op gezag van de oude Döblin in 1945 — aan de gezichten afleest, misschien een uitdrukking van machteloosheid hebben kunnen zijn? Geven alleen verwrongen gezichten blijk van ontzetting? Schreeuwen is duidelijker dan zwijgen, dat is waar; maar zwijgen kan ook veelzeggend zijn.

Ik verbaas me over het gemak waarmee Sebald zich van onmogelijke begrippen als «collectief bewustzijn», «individuele en collectieve amnesie» bedient; ronduit grof is de manier waarop hij individuele reacties tot algemene clichés verwerkt. Wat niet te zien is bestaat niet, zwijgen is verzwijgen. De reacties van degenen die door de bombardementen getroffen werden, vindt hij stereotiep; hun gedrag apathisch. Ter plekke dienen voor de hand liggende wendingen als afweermiddel, ter zelfbescherming of neutralisering. Dat moet een schrijver toch weten. Sebald vindt het verbazingwekkend en vat het bot samen: «Een van de kernproblemen van die zogenoemde (?) ervaringsverhalen is hun inherente (?) ontoereikendheid, hun notoire (?) onbetrouwbaarheid en eigenaardige (?) leegte (?)» — mijn vraag tekens spreken hopelijk voor zich. «Ik vertrouw alleen de vorm niet, waarin ze, ook literair, zijn verwoord en ik geloof niet dat ze een noemenswaardige factor zijn geweest in het publieke bewustzijn van de nieuwe Bondsrepubliek, anders dan als motief voor de wederopbouw.» Nog zo’n term: het «publieke bewustzijn» — ik vraag me af waar dat ter inzage ligt.

Wat wilde Sebald nu eigenlijk met zijn lezingen zeggen? Er is een passage die mij zeer wantrouwig maakt. De Duitsers waren niet in hun verleden geïnteresseerd, hun zielenleven was niet geschokt en vrolijk begonnen ze met z’n allen aan de toekomst te bouwen om ook tot hun eigen verbazing het Wirtschaftswunder tot stand te brengen. Hoe was dat mogelijk? Sebald noemt enkele materiële voorwaarden. Het kapitaal van het Marshallplan; het sloopwerk dat verricht werd door de geallieerde bommen werpers, niet helemaal gratis maar wel effectief; en het in de totalitaire samenleving gedresseerde arbeidsethos.

De zin die daarop volgt over de immateriële voorwaarden die de katalysator van het sociaal-economisch wonder vormden, durf ik niet in eigen woorden na te vertellen: «namelijk de tot op de dag van vandaag nog niet opgedroogde stroom van psychische energie, die ontspringt aan het door allen bewaarde geheim van de in de grondvesten van ons staatswezen ingemetselde lijken, een geheim dat de Duitsers in de jaren na de oorlog hechter aaneensmeedde en ook nu nog aaneensmeedt dan enige positieve doelstelling, bijvoorbeeld de verwerkelijking van democratie, ooit heeft gekund.» Wat staat daar? Over die nogal verkrampt geformuleerde zin is bij mijn weten niemand gestruikeld. Doodleuk wordt het sprookje van de collectieve schuld nog eens opgedist: dankzij de oorlog hebben de Duitsers Europa economisch kunnen veroveren, en ze weten dat ze daarvoor over lijken zijn gegaan — dát is hun familiegeheim, en Sebald verklapt het. Daarop laat hij vervolgens een waarschuwing aan Europa volgen: pas op, de invloedssfeer van de D-Mark (het is 1997, dus heeft hij het nog over de harde Duitse munt) is thans even groot als het door de Wehrmacht in 1941 bezette gebied.

Terug naar Sebalds stelling: «Het weinige dat de literatuur ons heeft overgeleverd staat in geen verhouding tot de extreme collectieve ervaringen (…).» De literatuur zwijgt zowel over de jarenlange luchtoorlog zelf als over de niet alleen materiële gevolgen voor massa’s mensen. Over de sporen (van pijn) die de vernietigingsaanval lijkt niet «te hebben nagelaten in het collectieve zelfbewustzijn van de betrokkenen», zoals ze nooit «een merk bare rol gespeeld heeft in de discussies over de innerlijke gesteldheid van ons land». Discussies, debat, openbare mening: het zijn woorden die meer beloven dan ze ooit waarmaken. Belangrijk is wanneer, waar en waarom iets ter sprake komt en wie het ter sprake mag of moet brengen. En evengoed wanneer en waarom over bepaalde zaken niet gesproken wordt. Waarom kon decennia lang in Duitsland niet de vraag gesteld worden of de geallieerde luchtraids vanaf februari 1942 en de onbeperkte bombardementen op Duitse steden militair-strategisch of moreel te rechtvaardigen waren? In Engeland is er wel fel gediscussieerd, Sebald weet daar meer over te vertellen dan over het Duitse stil zwijgen. Onder allerlei ongelijksoortige motieven heeft hij het wel over zelfcensuur en dat verwijt hij vooral schrijvers, maar aan een voor de hand liggende reden gaat hij, bijna moedwillig lijkt het, voorbij. Van een volk van daders zou men namelijk niet geaccepteerd hebben dat over Duitse slachtoffers gesproken, geschreven, gediscussieerd werd. Die inhibitie beheerst nog elke discussie en in Duitsland woedt elk seizoen over dit soort zaken een discussie, meestal naar aanleiding van bijzaken.

Wat wilde Sebald in 1997 eigenlijk aan de orde stellen? Hij had wat aantekeningen over de bombardementen in de Duitse literatuur verzameld en wilde een ballon oplaten; vervolgens kreeg hij een hele Duitse luchtmacht over zich heen. Had hij kunnen voorzien dat het onderwerp zo leefde? Dat bleek wel toen Der Brand van de historicus Jörg Friedrich een bestseller werd en diens fotoboek Brandstätten verweten werd dat het beelden liet zien die beter niet gezien konden worden. De reacties die Sebald zelf kreeg en die hij in zijn nawoord bespreekt gaven er blijk van dat de herinneringen juist heel levendig waren en vooral heel monter, soms levend gehouden door mensen die van hun politieke onverbeterlijkheid een roeping maken. Interessant, heel interessant, maar die reacties zeggen niets over de literaire verwerking en geven de terughoudender auteurs alleen maar meer gelijk. Er kwam één titel bovendrijven die Sebald ontgaan was: Vergeltung van Gert Ledig, een boek dat in 1956 geen aandacht had gekregen en inmiddels door Suhrkamp is herdrukt. De literaire kritiek had begin jaren vijftig geen oren naar zulke boeken (zoals die van Anonyma, Koeppen, Primo Levi, Robert Antelme bewijzen), maar daaruit kun je niet concluderen dat men er niet over nadacht. Over de boeken van Sebald is inmiddels zo veel geschreven dat je als je een beetje selecteert een beter nawoord bij de lezingen krijgt dan wat hij zelf te berde brengt. Het waren maar aantekeningen, zei hij, en zoals gezegd moest hij eerst eigenhandig opbouwen wat hij onder schot wilde nemen.

De oorspronkelijke titel van het boek, «Luchtoorlog en literatuur», was duidelijker dan de Nederlandse: De natuurlijke historie van de verwoesting. De titel in de Duitse versie kwam wel al voor: zo zou een gepland maar nooit gerealiseerd verhaal hebben geheten van een Engelse journalist die na 1945 door Duitsland reisde.

Sebald begint de tweede lezing met de vraag hoe je een geschiedschrijving van die enorme verwoesting aanpakt. Met een overzicht van de technische, organisatorische en politieke aspecten? Met het fenomeen vuurstormen en de spectaculaire vormen van sterven? Of met een onderzoek naar individuele en collectieve reacties en gedragingen? Uit het feit dat hij niet eens een nieuwe alinea begint om een eerste literaire tekst (van Hans-Erich Nossack, ongeveer de enige schrijver die indertijd iets zinnigs over de bombardementen schreef) te bespreken, mag je afleiden dat Sebald de literatuur als een soort sociografische hulpdiscipline van de sociale psychologie zag. Dat had hij wel mogen uitleggen.

Met de paar titels die wel geschreven (en wel of niet meteen verschenen) zijn, is hij snel klaar. Misschien omdat hij uit de lucht kwam vallen, prikkelde de luchtoorlog bijna automatisch mythologiserende en allegorische klieren (niet alleen in de Duitse literatuur). De echo’s van de nazistische mythomanie zijn in deze oorlogs-fantasy niet van de lucht. Maar ging het om natuurverschijnselen, zoals de titel suggereert? Behalve het radeloze gedrag van de mensen zelf werden er inderdaad opmerkelijke natuurlijke verschijnselen waargenomen: zich vermenigvuldigende ratten en enorme vliegen, ruïnes die door planten overdekt werden. Meer naar de smaak van Sebald zijn foto’s van kapotte schoenen die een Engelse journalist aan zijn stukjes toevoegde en die volgens hem een concrete vorm van het degradatieproces zichtbaar maakten. Ook natuurlijk of juist onnatuurlijk was het gedrag van mensen die in krankzinnige situaties gewone handelingen verrichtten, zoals een vrouw die in de puinhopen enkele dagen na een luchtaanval haar ramen lapte of mensen die in Hamburg eind juli 1943 op het balkon koffie zaten te drinken. Sebald noemt het «schokkend absurd en schandalig», maar dat is verslaggeving en geen literatuur.

Wat Alexander Kluge in de jaren zeventig schreef over het bombardement op Halberstadt is van een heel ander kaliber, juist het tegendeel van «natuurlijke historie». Als ik iets schandalig zou willen noemen is het dat van Kluge nooit één boek in het Nederlands vertaald is, maar dat terzijde. Kluge, die Sebald waarschijnlijk op het spoor van zijn onderwerp heeft gezet en waaraan hij ook het gebruik van illustraties heeft ontleend, heeft ongeveer als enige een literaire methode ontwikkeld om zulke complexe situaties als de organische eenheid van vele met en tegen elkaar werkende delen (het individuele én het algemene) recht te doen.

W.G. Sebald

De natuurlijke historie van de verwoesting

Uit het Duits (1999) vertaald door Ria van Hengel

De Bezige Bij, 159 blz., € 21,50

_______________________

Pat Barker

Tegenbeeld

De literatuur heeft het hard te verduren nu sommige schrijvers zonodig «de frustraties van de post-9/11 world» op de lezer moeten afwentelen, zoals onlangs de Canadezen Courtemanche en Ignatieff met respectievelijk Rwanda en Kosovo in romanvorm deden. Nu heeft ook Pat Barker maar een oorlogsverslaggever als moderne held genomen. Deze trekt zich terug in een huisje van zijn broer om een boek te schrijven over zijn in Afghanistan gesneuvelde vriend Ben, fotograaf, wiens weduwe in de buurt woont. Dat boek over fotografie en geweld moet in drie maanden af, toch heeft hij nog tijd voor een affaire met een negentienjarige. De spreuken over het geweld en de liefde zijn ernaar. Barker heeft nog veel meer soaponderwerpen door haar ratjetoe gehusseld. Alles moet uitgelegd, in schrootjesstijl. Een bezoekje aan Milosevic voor het gerecht misstaat niet naast Goya en frasen van Susan Sontag. Heeft cynicus Rumsfeld hier geen middel tegen?

Vertaald door Jos den Bekker, De Geus, 281 blz., € 22,50

Manfred F.R. Kets de Vries

De geest van despotisme: Shaka Zoeloe en de psychologie van tirannieke macht

Manfred Kets de Vries is van alles: «een van de meest toonaangevende leiderschaps experts ter wereld», econoom en psychoanalyticus, coach van topmanagers, en hij is niet bang. Hij sprokkelde wat feiten en vooral verhalen bij elkaar over een Afrikaanse tiran, Shaka Zoeloe (1787-1828), en dit fantoomportret voert hij op als «model voor alle despoten van alle tijden». En dat ook nog op basis van de wijsheid dat wij allemaal een duistere kant in ons hebben: de een wordt dictator, de ander onderdaan. Uitgaande van dit onderzoek naar de menselijke natuur in het algemeen, na analyse van de totalitaire samenleving en een grondige studie van de despoot, biedt Kets vijftien lessen aan die uit het door hem zelf bij elkaar gelezen leven van Shaka Zoeloe (vul daarvoor in: Stalin, Hitler, Mao, Pol Pot en Milosevic) getrokken kunnen worden. Les 9: geef het goede voorbeeld.

Vertaald door drs. Th. H. J. Tromp, Uitgeverij Nieuwezijds, 262 blz., € 24,95

Czeslaw Milosz

Gedichten

Dat mag een wonder heten: een dichter wiens poëzie uit de jaren dertig nog heel goed leesbaar is en wiens recente gedichten, want over de negentig gaat hij volop door, ook nog bijzonder zijn, heel anders en toch die van dezelfde dichter, een die bijna een eeuw lang goed om zich heen gekeken heeft en daar met gedichten en essays, proza en vertalingen op heeft gereageerd. Religie en metafysica zijn in dit werk even dwars als de politiek. Daar hebben ze in het communistische Polen decennialang op gereageerd door hem dood te zwijgen. In de jaren negentig kon de Nobelprijswinnaar pas weer in het Litouwen van zijn jeugd terug keren. Deze uitgave van een brede keuze uit zijn poëzie — zonder de lange gedichten — is tevens een van de laatste prestaties van de vertaler Gerard Rasch geweest voordat hij onlangs stierf.

Gekozen, vertaald en van nawoord voorzien door Gerard Rasch, Atlas, 371 blz., € 35,-

Borislav Cicovacki

Onvoltooide biografieën

Het eerste verhaal van de bundel belooft wat. Iemand vindt in zijn vaders antiquariaat muziek en brieven van een oude Servische componist en schrijft een brief aan een liefhebber aldaar. Om de echtheid te bewijzen citeert hij rijkelijk uit de vroegere correspondentie. Ook het tweede verhaal is veelbelovend. De politieke actualiteit van Belgrado is decor voor het verhaal over een meisje dat door iedereen voor dom versleten wordt maar dat beter dan wie ook haar eigen weg vindt. Soms gaat het mis, bijvoorbeeld in het verhaal over een Nederlandse journalist uit een gemengd huwelijk die in Servië een serveerster helpt haar gekidnapte zoontje te vinden. Het kind is door een katholieke Hongaarse organisatie als wees verhandeld en wordt in Brugge bij pleegouders gevonden. Een ramp, het verhaal. Kennelijk is de Nederlandse uitgave ook de eerste van dit boek, van hem gaf Van Gennep eerder twee andere boeken uit.

Vertaald door Reina Dokter, Van Gennep, 239 blz., € 18,-

Julio Cortázar

De prijswinnaars

Een schip is geknipt als proefstation om een samenleving in het klein te bestuderen, dus ideaal voor een eerste roman. Je ziet Cortázar in zijn eersteling van 1960 er gretig gebruik van maken. Een aantal inwoners van Buenos Aires heeft een loterij gewonnen en maakt voor onbeperkte tijd en met onbekende bestemming een cruise op een schip waarvan van meet af aan het achterdek verboden en de bemanning ontoegankelijk is. In de drie dagen die de trip duurt lopen de spanningen hoog op: de ene helft van de winnaars accepteert alle bevelen en uitleg, de anderen rebelleren. Er ontstaan fracties en paren, en als sommigen ook nog een kritiek punt in hun leven bereikt hebben is er drama te over — er staan een beetje te veel therapeutische gesprekken in. Natuurlijk is de roman achteraf te lezen als voorspel op later werk van Cortázar. Ik geloof niet zoals de vertaler dat het boek tegen Rayela op kan — eerder stel ik vast dat Cortázar daarna gelukkig een andere schrijver is geworden.

Vertaald en van nawoord voorzien door M. Vanderzee, IJzer, 432 blz., € 29,95

Aloysius Bertrand

Gaspard de la Nuit: Fantasieën in de trant van Rembrandt en Callot

Kasper van der Nacht — onder die titel vertaalde Aart van de Leeuw in 1926 dit curieuze boekje van Aloysius Bertrand (1807-1841). Een bijzonder boekje, al was het maar om te zien waar Baudelaire de mogelijkheden van het prozagedicht heeft her- of onderkend, of gewoon heeft leren kennen. Dat van twee walletjes etende genre is vruchtbaar gebleken. En Bertrand is niet de enige die het toepaste op nog een andere kunst. Voor een deel bestaat de bundel uit beeldgedichten op de Vlaamse en Hollandse school, met name Rembrandt. Als tegenpool voor diens ingetogen etsen liet hij zich inspireren door extraverte gravures van Callot. In de vertaling zijn het mooie teksten, gedateerder van beeld dan van taal, maar dat komt natuurlijk ook doordat het vaak om oudere historische taferelen gaat.

Vertaald door Hans van Pinxteren, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 160 blz., € 19,95

Markus Orthes

De lerarenkamer

Toch iets geleerd, wat drempeldidactiek is: je lessen voorbereiden op het moment dat je over de drempel van het leslokaal stapt. Het gaat niet over de klas — daar heb je Bordewijk en Ungar voor — maar over de stafkamer waar militaire operaties worden beraamd en men elkaars leven zuur maakt. Kranich, docent in proeftijd, hoort van de rector op welke vier pijlers het Oostenrijks gymnasium rust: angst, klagen, schijn, leugen. Voor de schijn bestaat er een CG, een Conspiratieve Groep van leraren die doen alsof ze iets willen veranderen. De angst overheerst, van allen voor allen, vooral voor de rector die op zijn beurt alleen de inspectie moet vrezen. Het is natuurlijk satire, maar hoe moet dat als hetgeen belachelijk wordt gemaakt zelf al een karikatuur is — zo het nog bestaat? O ja, Orths (1969) was zelf leraar. Arm Oostenrijk!

Vertaald door Gerrit Bussink en Elly Schippers, Podium, 142 blz., € 15,-