Literaire microkosmos

De jury van de Librisprijs had het weer moeilijk dit jaar. De ton ging uiteindelijk naar J.J. Voskuil, maar het had erom gespannen, want ook de andere genomineerden - Noordervliet, Meijsing, Ruebsamen, Uphoff en Grunberg - mochten er wezen. De jury ontwaarde zelfs een grote overeenkomst; zij allen zijn ‘schrijvers die in werkelijkheid van alles te beleven hebben en die van alles erover te weten willen komen’. Los van het feit dat deze zin zo gruwelijk geformuleerd is dat er een jaar dwangarbeid op zou moeten staan, valt er ook inhoudelijk wel wat op af te dingen. Zelfs de grootste aanbidder zal toegeven dat Voskuil niet bepaald een auteur is die ‘in werkelijkheid van alles te beleven heeft’. Voskuil opereert op de vierkante millimeter van het sociaal-realisme. Hij is de overijverige boekhouder van de microkosmos van een treurig kantoorleven.

Nee, dan De Abessijnse kronieken van Moses Isegawa. De Oegandese auteur sloot zich drie jaar op in een flat in de Bijlmer en schreef een hallucinant epos over moord, verkrachting en kannibalisme, een Norman Mailer-achtige evocatie die de lezer meeneemt op een bloeddoorlopen reis van de Afrikaanse jungle tot Amsterdam-Zuidoost. De Nederlandse lezers grepen massaal naar dit alhier ten doop gehouden meesterwerk. Maar wie was de recensent die Isegawa’s boek als eerste afdeed als een goedkope, op louter exotica leunende hype, dat veel te ver afstond van de ‘belevingswereld’ van de Hollander? Willem Kuipers van de Volkskrant, dezelfde man die nu als Libris-jurylid J.J. Voskuil naar voren schuift als de toegangspoort naar het zo heftig verlangde literaire straatrumoer. Het lijkt er kortom op dat de xenofobe, nationalistische sentimenten die de laatste tijd ook in de Nederlandse politiek zo hoog opspelen, inmiddels ook in de literatuur hun beslag hebben gekregen. Trouwens, die Voskuil, was dat niet de literaire consultant van Frits Bolkestein?