Juan Carlos Onetti, Het korte leven

Literaire spelletjes

Juan Carlos Onetti

Het korte leven

Uit het Spaans (La vida breve, 1950) vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu

Meulenhoff, 351 blz., e 24,90

En toen kwam er opeens na tientallen jaren een verdwaalde vertaling van Onetti aanwaaien. In het kielzog van de boom van Latijns-Amerikaanse literatuur is er in de jaren zeventig en tachtig iets, maar niet veel van hem vertaald. De Uruguayaan en later Spanjaard Onetti (1909-1994) was als stadsschrijver een buitenbeentje. In zijn werk geen jungle, geen wonderen, geen magisch maar grijs realisme. Hij had wel grote invloed, bijvoorbeeld op Cortázar.

Waarom nu dit boek uit 1950? Er hoefde geen lacune gevuld, want de vertalingen zijn sowieso niet meer verkrijgbaar. Het zal niet de bedoeling van de uitgever geweest zijn te demonstreren hoe sommige boeken die op het moment van verschijnen nieuwe spelletjes vertoonden een halve eeuw later vieux jeux zijn. Toch is het zo: het gaat hier om spelletjes die ook al vóór Onetti bedreven werden. Daarna zijn ze door het vele na-apen literaire clichés geworden.

Braussen, hoofdpersoon van Onetti’s roman, werkt op een reclamebureau en krijgt opdracht voor een filmscenario. Hij verzint een arts, een vrouw die morfine bij hem koopt, hij voegt een man bij haar en nog een vriend – de rest vult zich vanzelf in. De roman begint ermee dat Braussen zich voorstelt hoe het met zijn vrouw Gertrudis zal gaan als haar borst zal zijn afgezet. In haar afwezigheid raakt hij gefascineerd door een luidruchtige buurvrouw met wisselende contacten. Hij dringt haar huis en haar leven binnen, als Arce, die haar souteneur speelt. Braussen wisselt zijn grijze leven af met andere levens vol passie, geweld, oude en nieuwe geliefden.

De titel van de roman verwijst naar een theorie of liever een plan van de hoofdpersoon: «Het is namelijk zo dat de mensen denken dat ze tot hun laatste snik tot één leven gedoemd zijn. Maar ze zijn alleen tot één ziel gedoemd, één manier van zijn. Je kunt vele malen leven, vele min of meer lange levens leiden.» Uit die gedachte is van oudsher veel literatuur geboren. Het minst interessante is inmiddels de man aan de touwtjes bezig te zien, zeker niet als het literaire godje van zijn imaginaire stad ook nog uitdrukkelijk moet zeggen «dat alle mensen die daar woonden uit mij waren geboren…». Wanneer de gedachte van de levensvermenigvuldiging een programma wordt is willekeur troef, zeker als de bedenker van geen ophouden weet. Dat is enigszins inherent aan het procédé. Of dat in 1950 nog anders was, is een ander verhaal.