Literaire thrillers

Periodiek mogen we van de paar thrillerauteurs die dit land telt de klacht vernemen dat ze niet serieus worden genomen door de Literatuur.

De klachten zouden begrijpelijker zijn wanneer ze concreet gericht waren tegen literatuur die een graantje van het commerciële succes van het misdaadverhaal probeert mee te pikken. ‘In de beste families is een weergaloze mengeling van een klassieke whodunnit (waarin de Italiaanse keuken een glansrol vervult) en een verfijnde zedenschets van de beau monde, geschreven in een even rijke als minutieuze stijl.’ De halfhartigheid zit ’m in het woord 'mengeling’: nee, dit is geen doorsnee-thriller maar een 'klassieke’; het is bovendien méér dan een spannend boek, een zedenschets, zelfs een verfijnde zedenschets die er ook stilistisch mag wezen. Dat van de Italiaanse keuken, nog zo'n lokkertje, is een verzinsel van de flapschrijver. Zedenschets wil zeggen dat de lezer geen cliché bespaard blijft aangaande het doen en laten van een oude adellijke familie in Piëmonte. En de whodunnit moet het hebben van een oplossing aan het slot waar onthuld wordt dat de moordenaar de chauffeur des huizes is die een onechte zoon van de pater familias blijkt te zijn - ik verklap het maar, de schrijver (Gianni Farinetti) had er 360 pagina’s voor nodig. Ik denk trouwens dat de auteur gewoon een thriller heeft willen schrijven, maar dat vak niet beheerst.
Dat gold ook voor de roman Het verloren hoofd van Antonio Tabucchi, die ik hier onlangs signaleerde, zo'n beetje geschreven in de trant van Sciascia. Hoe goed diens politieke misdaadverhalen zijn, blijkt wel als je ze vergelijkt met de thrillers van Bernhard Schlink, die bekend werd door zijn roman De voorlezer. Een oudere privé-detective, een bekeerde nazi-advocaat, die de praktijken van een chemieconcern aan het licht brengt - het kan subtieler.
Het kan ook vele malen grover, zie de dikke roman Het goud en de as van de Franse 'filosofe en schrijfster’ Eliette Abécassis: hoofdpersoon is een jonge historicus die een proefschrift over de Endlösung schrijft en daar en passant een eigen visie op ontwikkelt. Hij raakt verwikkeld in de nasleep van de moord op een Duitse priester-politicus, een ideologische moord waarbij een joodse familie, antisemieten, satanische monniken en zo meer betrokken zijn. Een thriller over de shoah? Abécassis wilde meer, erger, ze beoogde niet minder dan een roman over het Absolute Kwaad. Wat de flap 'een bevlogen stijl’ noemt is je reinste kitsch, ongetwijfeld serieus bedoeld maar daarom des te erger. Wat hebben recent vertaalde boeken van Farinetti (1953), Abécassis (1969) en Juan Manuel de Prada (1970) - een Spaanse auteur wiens roman Noodweer over kunstvervalsers in Venetië gaat - met elkaar gemeen? Het zijn dikke romans van jonge schrijvers, die onmiddellijk in allerlei landen vertaald zijn, stuk voor stuk koketterend met de benaming thriller: literaire thrillers, die dus meer beloven dan spanning alleen, maar wel thrillers, dus ook niet zomaar vervelende literatuur. Ik kom tot een simpele conclusie: liever een goedgeschreven misdaadverhaal met een plot die klopt dan een literaire thriller die niet eens voldoet aan de eisen van het genre. Ter vergelijking: als de roman van De Prada een slap, romantisch verhaal is dat het moet hebben van Venetië als decor, zijn er thrillerschrijvers als Donna Leon of Michael Dibbin die van datzelfde Venetië heel wat meer laten zien in hun even spannende als goedgeschreven thrillers. Zijn uitgevers soms bang geworden voor literatuur?