Javier Marías Aller zielen

Literaire werkelijkheid

Literatuur bestaat voor het overgrote deel uit werkelijke personen en gebeurtenissen, schreef Ger Groot vorige week in zijn column. Schrijvers moeten zich volgens hem daarom niet laf verschuilen onder de rokken van het romantische schrijverschap, waarin alles fictie is en niets naar bestaande situaties of personen verwijst. Groot meende dat niet alleen Herman Brusselmans, maar ook de veelgeprezen schrijver Javier Marías zich hieraan schuldig maakte, en dat de Spanjaard in de verdediging van zijn roman ‹Aller zielen› niet meer gedaan had dan het «allersimpelste» te beweren, namelijk dat er een verschil bestaat tussen werkelijkheid en romanfictie. Groot schreef zijn column in reactie op de inaugurele rede van Maarten Steenmeijer, kersvers hoogleraar te Nijmegen. Deze beweert dat Marías juist laat zien hoe ingewikkeld de relatie tussen fictie en werkelijkheid is. Steenmeijer op zijn beurt, reageert op Groot: «Onze kennis van de werkelijkheid is geen gegeven maar een probleem.»

Niemand, ook Javier Marías niet, zal ontkennen dat romans iets met de werkelijkheid te maken hebben. Maar waar het om gaat is: wat precies? Over het antwoord op deze vraag verschillen Marías en sommige lezers van zijn roman Aller zielen van mening. Zo meenden enkele van Marías’ oud-collega’s uit Oxford zichzelf en mensen uit hun omgeving te herkennen in de personages van zijn roman. Te beginnen met de hoofdpersoon, die men zonder meer vereenzelvigde met de schrijver. Marías verbaasde en ergerde zich daaraan, Ger Groot geeft deze lezers daarentegen gelijk.

Zoveel is zeker: Marías is, net als de hoofdpersoon van Aller zielen, een aantal jaren als gastdocent verbonden geweest aan de Universiteit van Oxford. Maar in tegenstelling tot zijn personage heeft hij in die tijd nooit een verhouding met een Engelse vrouw gehad, om maar wat te noemen. Toch beweerden sommigen van Marías’ vroegere collega’s uit Oxford precies te weten wie «in het echt» de vrouw was met wie de hoofdpersoon van Aller zielen (ergo, Marías zelf) een verhouding had gehad. Maar de Spaanse schrijver kende het arme mens niet eens, dat voortaan door het leven moest als een vrouw die haar echtgenote had bedrogen.

Deze en vele andere misverstanden waren aanleiding voor Marías om De zwarte rug van de tijd te schrijven. Volgens Groot heeft Marías hierin «de allersimpelste bewering» dat er een verschil bestaat tussen werkelijkheid en fictie opgeklopt tot een heel boek. Dat is een boutade die Marías’ gecompliceerde roman (of onechte roman, zoals de schrijver zelf zegt) buitengewoon tekort doet, om nog maar te zwijgen van de suggestie dat Marías te kwader trouw zou zijn geweest. Zou hij De zwarte rug van de tijd nou echt hebben geschreven «om zich te drukken», zoals Groot beweert? Ik geloof er niets van. De redenen die hij noemt overtuigen niet. Om te beginnen behoort Marías tot het zeldzame ras schrijvers die je als vanzelf dwingen om stil te staan bij elk woord dat ze hebben geschreven om het in zijn volle smaak en betekenis te kunnen proeven en overdenken. Marías is een schrijver bij wie elk woord ertoe doet. Maar er is meer aan de hand. Ger Groot dicht Marías een stelligheid toe die de Spaanse schrijver niet heeft. Het is waar dat De zwarte rug van de tijd begint met een kloeke bewering: «Ik geloof dat ik fictie nog nooit met werkelijkheid heb verward, al heb ik ze wel meer dan eens vermengd, zoals iedereen, niet alleen romanschrijvers (…).»

Maar in wat volgt herhaalt Marías niet, zoals Groot beweert, tot vervelens toe deze bewering, maar laat hij juist zien hoe ingewikkeld de verhouding tussen fictie en werkelijkheid is of kan zijn. En ook hoe vruchtbaar de vermenging (dus niet: verwarring) van fictie en werkelijkheid kan zijn. Zijn jong gestorven broertje Julianín, dictator Franco, de Engelse schrijver Wilfrid Ewart: het zijn «echte» mensen die Marías nooit heeft gekend maar die hij zich toch op overtuigende wijze «herinnert» in zijn roman (of onechte roman). Dankzij de literatuur. Of, anders gezegd, dankzij wat Marías «literair denken» heeft genoemd, een onverwisselbare manier van denken waarin de contradictie en de onvoltooidheid geen afwijkingen maar wezenskenmerken zijn.

Het literaire denken ontkent niet dat er feiten zijn, maar is niet zozeer geïnteresseerd in deze feiten zelf als wel in de verhalen (verbanden, vermoedens, twijfels) daarachter en daartussen. Niet vanuit een vrijblijvende drang tot fantaseren, maar vanuit de overtuiging dat onze kennis van de werkelijkheid geen gegeven is maar een probleem. Een probleem waar de literatuur zo haar eigen gedachten over heeft. Hoe eigenzinnig die gedachten kunnen zijn en hoe complex de verhouding tussen literatuur en werkelijkheid is, laat Marías op magistrale wijze zien in De zwarte rug van de tijd. Hij wilde het boek schrijven zoals het leven zichzelf schrijft: zonder plot, zonder plan, zonder doel. Een tot mislukken gedoemd voornemen. Niet alleen omdat de werkelijkheid een veel te grote prooi is voor het net waarin de taal haar probeert te vangen, maar ook vanwege dit voornemen zelf: schrijven zonder plan is óók een plan.

In deze mislukking, gegrondvest op een intrigerend netwerk van paradoxen, schuilen de kracht en de betekenis van Marías’ roman (of onechte roman), waarin het verleden in zijn afwezigheid aanwezig wordt gemaakt in een dimensie die Marías de zwarte rug van de tijd heeft genoemd (een term die hij van Shakespeare leende), waarin wat niet meer bestaat of misschien wel nooit heeft bestaan, kan bestaan.

Deze uitgesproken literaire dimensie staat niet los van de werkelijkheid, dat zal duidelijk zijn. Maar zij valt er evenmin mee samen. Dat is een paradox die op de spits wordt gedreven in romans als De zwarte rug van de tijd, waarin de auteur een personage opvoert dat wel en niet op hemzelf lijkt. Hiervan lijken er steeds meer te worden geschreven, niet zozeer vanuit het romantische streven naar autonome kunst als wel vanuit een ironische fascinatie voor onze identiteit, onze werkelijkheid en onze taal.

Connie Palmens I.M. is vanwege zijn pathetische karakter niet het meest gelukkige voorbeeld. Interessanter zijn Geschiedenis van een idioot door hemzelf verteld van Félix de Azúa, Het lichtende kwaad van de Chileense balling Roberto Bolaño en Vargas Llosa’s De geschiedenis van Alejandro Mayta. In deze roman voert Vargas Llosa een personage met zijn naam op dat jaren na dato de precieze toedracht wil onderzoeken van een mislukte poging om op het Peruaanse platteland een communistische revolutie te ontketenen. De vele verdraaiingen, leugens en ongerijmdheden waarmee de verteller zijn verhaal doorspekt, maken duidelijk dat Vargas Llosa niet in de eerste plaats een historische of politieke roman wilde schrijven maar een roman over fictie binnen en buiten de literatuur. Dat De geschiedenis van Alejandro Mayta door veel lezers toch in de eerste plaats als een politieke roman werd geïnterpreteerd, is veelzeggend voor het gemak waarmee literatuur wordt vereenzelvigd met de werkelijkheid. Wie durft er nog te beweren dat Don Quichot gek is?