Literator of historicus

Johan Huizinga was een «ander soort historicus». Maar wat voor een ander soort? Eindelijk is deze vraag nu beantwoord, door historicus-schrijver Willem Otterspeer.

Zijn naam heeft de klank van een bijna schriftuurlijke onbetwistbaarheid. In de erehemel van scribenten zit hij waarschijnlijk naast zijn goede vriend Adriaan Roland Holst en andere groten van geest. Vanzelfsprekend zal hij er ook verkeren met zijn soortgenoten, met een leerling en vakgenoot als Jan Romein die bij leven tevergeefs trachtte net zo mooi te schrijven als zijn leermeester, of met een vlegel als Pieter Geyl die hem verweet dat hij – in zijn sterfelijke jaren al een monument – zijn eigen tijd, de vulgaire jaren dertig, niet begreep. Maar als een magneet zal hij telkens weer getrokken worden naar het hoekje in het paradijs waar Dante rondkuiert, waar men niet uitgepraat raakt over het schilderstuk Het Lam Gods van Jan van Eyck, en waar men zich af en toe ter verpozing in een kring bijeenschaart om te luisteren naar de vertellingen van Hans Christian Andersen, waar hij als kind van genoot en die hem als auteur de weg wees. In dat hoekje, vol twinkeling en etherische kwinkslagen, bewoond door zonen en een enkele dochter van de schone kunsten, zal hij zich gelukkig wanen. Want hij mag dan een historicus heten, zijn faam is die van een schrijver en kunstenaar: iemand die de dingen een betekenis geeft die ze voor zijn hoogst persoonlijke ingreep nog niet hadden.
Het mag duidelijk zijn, het gaat hier om niemand minder dan Johan Huizinga, de historicus die gelezen werd als schrijver. Toen er op de middelbare school nog gegrasduind werd in de vaderlandse klassieken prijkten zijn titels op de boekenlijst tussen die van Betje Wolff en Aagje Deken. En in zijn eigen tijd waren de boeken van de historicus ook al verplichte kost voor modale literatuurliefhebbers als de dames die zich in het bijzijn van Huizinga’s uitgever lieten ontvallen «het nieuwste boekje van Huizinga gewoon snoezig» te vinden. Huizinga mocht dan wroeten in het verleden, het resultaat was altijd meer dan een verslag van zijn onderzoek. Of het nu ging om een klein en verfijnd overzicht als Nederlands beschaving in de zeventiende eeuw, een essay als Nederlands geestesmerk, of om een biografie van de in zijn ogen uiteindelijk te bangelijke Erasmus, zijn werk had het karakter van een openbaring. Zo werd hij ook gelezen, als een Geert Mak van zijn tijd, hoewel hij juist dat succes, bewerkstelligd door een zorgvuldig opgeroepen nostalgie, niet zocht.

Huizinga wilde geschiedenis schrijven, op zijn eigen, zeer particuliere voorwaarden. Het leidde tot een geschiedschrijving die door vakgenoten betwijfeld, vervolgens geprezen en uiteindelijk bewierookt werd. In de historiografie «wordt hij naar voren geschoven als een afwijking van het traditionele patroon», is hij aanvankelijk «een exceptionele figuur», schrijft Jo Tollebeek in zijn dissertatie De toga van Fruin: Denken over geschiedenis sinds 1860. Dat verklaart ook de «pijnlijke terughouding» die Herfsttij, aldus een literair recensent, onder de bronvaste en voorzichtige historici opriep. «Het is slechts een roman», schreef de Duits-Utrechtse Herr Professor Otto Alexander Oppermann bij het uitkomen van Huizinga’s magnum opus Herfsttij der Middeleeuwen in 1919. En nog niet zo heel lang geleden vertelde de mentaliteitshistoricus Willem Frijhoff dat hij Umberto Eco’s In de naam van de roos prefereerde boven Herfsttij als hij een roman wilde lezen over de Middeleeuwen. Inmiddels overheerst echter de lofzang. Deze begon bij Th.J.G. Locher, de Leidse opvolger van Huizinga, die vlak na diens dood schreef dat zijn leermeester een symbiose tot stand had gebracht tussen kunst en wetenschap. Weer later, in 1986, verklaarde de Groningse geschiedfilosoof Frank Ankersmit, ten overstaan van voltallig historisch Nederland, bijeen in driedaags congres, dat alle geschiedschrijving begon en eindigde bij Huizinga. Het kwam bij de beschrijving van de historie uitsluitend aan op het zo overtuigend mogelijk geven van een beeld, en wie anders dan Huizinga had keer op keer de geschoolde en ongeschoolde lezer met kracht van overtuiging – of beter gezegd met «een sublieme uitbeelding» – voor zich weten te winnen.

Mede dankzij de bevrijdende lezing van Ankersmit is tegenwoordig iedereen in de historisch-academische wereld «in» Huizinga, behalve dan in de sociaal-historische periferie waar nog wat wordt tegengesputterd. Huizinga’s correspondentie is in drie dikke banden uitgegeven, en aan geen tweede historicus zijn zo veel studies gewijd – waaronder boeken met de eerste krabbels en versjes van de hoofdpersoon en met aangrijpende familiealbumplaatjes (Johan op het hobbelpaard, Johan in kniebroek). Ten slotte is Huizinga in 1999 door de lezers van het Historisch Nieuwsblad, een gezelschap dat «bepaald niet uit schaapherders bestaat», aldus de Utrechtse historicus H.W. von der Dunk, uitgeroepen tot historicus van de eeuw. «Hij is nu eenmaal onze pilaarheilige», zei dezelfde Von der Dunk bij de uitverkiezing. Het is alsof de historici zich de ooit verstoten Huizinga massaal toe-eigenen ter opwaardering van de toch al niet geringe status van hun vak, alsof de roem van De Grote Ene de geschiedschrijving voor altijd moet ontdoen van het aura van saaiheid dat, ondanks alle mooischrijverij, aan haar kleeft. Met Huizinga in de gelederen kan de concurrentie met alles dat een pen vasthoudt worden aangegaan. Want als hij niet minder is dan Borges, Vestdijk of Siebelink, dan zijn «zij», de andere historici, dat toch ook niet.

Maar hoort Huizinga wel bij de historici? Hij wilde erbij horen, tegen beter weten in, oordeelde in 1930 zijn jonge neef Menno ter Braak, die schrijver en essayist die zelf ooit begonnen was als historicus. In een pesterig opstel in De Gids met de geharnaste titel Huizinga voor den afgrond verweet hij zijn eerbiedwaardige oom dat deze de stap naar de literatuur, die feitelijk al was gemaakt met Herfsttij, niet door durfde te zetten; hij durfde de sprong over het ravijn niet te wagen. Huizinga «provoceert onhistorische waarderingen», schreef Ter Braak, en dat was niet onjuist gezien. Zijn beeld bijvoorbeeld van het zeventiende-eeuwse Holland als een vrijwel ononderbroken, schokloze humane samenleving, bleek achteraf een onhoudbare, geïdealiseerde wensdroom («ik mis de schaduwkant», schreef zijn vriendin Henriëtte Roland Holst bij het verschijnen van Nederlands beschaving in de zeventiende eeuw). Huizinga provoceerde nog meer, vond Ter Braak: bijvoorbeeld historische «ontmoetingen». En dat was evenmin een onzinnige opmerking. Huizinga’s zogenoemde «historische sensatie», een onmiddellijk contact met voorwerpen of figuren uit het verleden dat hem zo nu en dan deelachtig werd, door hemzelf beschreven als een soort uittreding – «een bijna ekstatische gewaarwording van niet meer mijzelf te wezen, van over te vloeien in de wereld buiten mij» – behoorde veeleer tot de subjectieve ervaringen van de kunstenaar dan dat ze deel uitmaakte van iets wat ook maar op een wetenschappelijke methode leek. Maar de grootste provocatie, aldus Ter Braak, school in «het tweeslachtige van zijn persoonlijkheid, in het zo schijnbaar bekoorlijk en harmonisch opgeloste dualisme van professor en dichter», want Huizinga kon wel doen alsof de tegenstelling tussen wetenschap en literatuur in hem was opgelost, ieder die ogen had kon zien en ieder die oren had kon horen dat dat niet zo was.

Huizinga antwoordde zijn neef in De Gids dat deze een probleem had gecreëerd dat niet bestond. «Men kan niet afvallen van de verbeelding als weten en verbeelden ineenvloeien als zij voor mij altijd hebben gedaan», schreef Huizinga. Anders gezegd: hij was dus historicus, maar een ander soort historicus. Het was de reactie van een wijze oude heer op een kwajongensstreek van een belhamel die maar niet wilde begrijpen dat de bekritiseerde boven zijn kritiek verheven was. Huizinga locutus, causa finita, ofwel Huizinga had gesproken, zaak gesloten. Maar de uitleg bij de zelfgevoerde verdediging ontbrak, want als Huizinga een ander soort historicus was, wat voor een historicus was hij dan? Die vraag – voor Huizinga zelf kennelijk geen kwestie – is nu, driekwart eeuw later, eindelijk beantwoord door historicus-schrijver Willem Otterspeer. Otterspeer blijkt de langverwachte, die op Huizinga praktiseert wat tegenwoordig op de basisscholen «begrijpend lezen» heet. In zijn monografie, Orde en trouw, over het werk van Huizinga, wordt wat de voorname geleerde mistig liet opgeklaard. En het heeft er de schijn van dat het «laatste woord» van Huizinga nu van uitleg is voorzien.

Inderdaad bestond het door Ter Braak en overigens ook door anderen gesignaleerde dualisme. Sterker nog: wie het boek van Otterspeer leest, moet onwillekeurig denken aan het traktaat Over de tegenstelling van voorzitter Mao. «Het leven is een tegenstelling die aanwezig is in de dingen en processen zelf, die voortdurend ontstaat en zichzelf oplost», schreef deze parttime filosoof die Nixon ooit aanraadde zijn schrijfsels als grap te beschouwen. Ook Huizinga blijkt niet aan deze levenswet, opgetekend door een marxist die zijn eigen marxisme niet serieus nam, te ontkomen. De tegenstellingen vliegen de lezer om de oren, en deze krijgt bijna medelijden met de hoofdfiguur die onder zulk een gesternte en met een hoofd vol tegenstrijdigheden zichzelf moet zien te vinden, als mens en als scheppend auteur. Maar het troostgevende is: Huizinga, en anders wel Otterspeer, komt er altijd uit, met een dialectiek in deftig driedelig pak (en soms in pij) die van de geschiedenis geen wetmatigheden behoeft, maar veeleer schoonheid en deugdzaamheid. «Contrast», schrijft Otterspeer, «was de eerste beweger van Huizinga’s verbeelding. Maar de opheffing ervan, het zoeken naar harmonie, was de tweede.» Uiteindelijk ging het erom het evenwicht te vinden dat in de geschiedenis zelf zou hebben bestaan en dat ook door de tijdgenoten zelf zou zijn gezocht. Vandaar Huizinga’s beschrijving van Nederland in de zeventiende eeuw als een voorbeeldige samenleving, waar het eigenbelang ondergeschikt was aan het ideaal van reinheid en eenvoud; vandaar zijn weergave van de late Middeleeuwen als een tijd die eenheid in geloof boven aardse verdeeldheid stelde. Er waren wel tegenstellingen – tussen burgers en regenten, tussen edellieden en stedelingen – maar in de opheffing daarvan vond iedereen zijn geluk. Of beter gezegd, in het streven daarnaar had iedereen welbehagen.

De geschiedenis had zogezegd geen toevallig, maar een episch en ethisch karakter. Ze was een drama met een happy end, althans gemeten naar Huizinga’s eigen geluksnorm die «de verzaking van het eigen ik» verwachtte en eiste van de figuren die hij beschreef en die hij ook daadwerkelijk bij hen meende waar te nemen. Op het moment dat een Erasmus opging in het ideaal van de schone letteren en christenheid, dat een Karel de Stoute zich liet vervoeren door het hoofse ridderideaal, en dat een flagellant zichzelf in opperste gelukstemming ranselde, kreeg de geschiedenis vorm. Op zulke ogenblikken, waar Ter Braak «onhistorische waarderingen» en vermeende historische «ontmoetingen» zou vermoeden, draaide Huizinga’s historische dialectiekmachine op volle toeren. «Het leven had in menig opzicht de kleur van een sprookje», schrijft hij op de eerste pagina’s van Herfsttij. Otterspeer komt er tot driemaal toe op terug, omdat het een sleutelpassage betreft. Huizinga’s manier van kijken naar het verleden, schrijft Otterspeer, «gaat terug tot zijn vroegste ervaring en lectuur en is in wezen de wereld bezien in de gestalte van het sprookje».

De geschiedenis schreef als het ware zelf literatuur, althans de vroegere geschiedenis, want met de moderne wereld, vol freudiaanse zelfzuchtigen, kon Huizinga, die er prat op ging maar één krant te lezen, niets aanvangen. Het verhaal lag er, en er was een Huizinga voor nodig om het op te sporen en te vertolken. Hij was wetenschapper, maar hij was tegelijkertijd de Hans Christian Andersen van de historie, de schrijver van ideaalvertellingen. Dat is de onvermijdelijke conclusie na lezing van Otterspeers even knappe als eerlijke apologie van leven en werk van Huizinga. Daarmee is ook verklaard waarom Huizinga, zoals Otterspeer schrijft, klassiek is in die zin dat zijn werk nog steeds gelezen kan worden. Zijn boeken zijn naar inhoud en structuur – opgebouwd via het zwart-witschema van het sprookje – tijdloos.

Maar wat voor een «ander soort historicus» was Huizinga nu? Een sprookjesverteller? Wellicht. Maar dan wel een zeer goed gedocumenteerde. «Zéér karakteristiek» voor Huizinga, schrijft de historicus Jan Romein in een terugblik op zijn leermeester, was een voorval uit zijn studententijd. Romein memoreert hoe hij met medestudenten in de klas een reconstructie moest maken van de belegeringstoren voor Damiate, uit de vijfde kruistocht, waarvan een beschrijving was overgeleverd. Die opdracht was, aldus Romein, illustratief voor «de behoefte van Huizinga om de dingen uit het verleden vóór zich te zien, letterlijk te zien». Daarom ook nam hij zoveel tijd voor hij iets op papier zette. Hij was het soort geleerde dat als het aan hem lag een leven lang zou wachten, kijken, voelen en peinzen alvorens iets op te schrijven. «Historische kennis die niet haar klankbodem en haar maatstaf heeft in een persoonlijk geestes- en zieleleven is dood en waardeloos», schreef Huizinga er zelf over.

Als Huizinga van de geschiedenis een sprookje maakte, wat Romein overigens nooit beaamd zou hebben, dan mocht hij dat, niet omdat het verleden zich af en toe aan hem openbaarde, zoals hij zelf geloofde, maar omdat hij langer, inventiever en zorgvuldiger dan wie ook naar schriftelijke en andere overblijfselen van dat verleden had getuurd. Zo althans zou Romein zijn leermeester waarschijnlijk hebben verdedigd tegen aantijgingen van onwetenschappelijkheid. Wel viel dezelfde Romein over wat hij noemde «de precieusheid en de pretentieusheid die de critische lezer soms, ineens, met afkeer van al Huizinga’s stijlpreoccupaties vervullen kan en hem soms, ineens, het gevoel kan geven van beetgenomen te zijn door een zó zorgvuldige verpakking van zó weinig inhoud». (Het is een herkenbaar gevoel dat bij het lezen van een sprookje de lezer soms ook kan overvallen.)

Maar net zo min als het Oude Testament of Gysbreght mag worden beoordeeld op de mogelijke gedateerdheid van stijl mag het werk van Huizinga dat. Het is niet nodig om het enthousiasme van Otterspeer te delen om te zien dat Huizinga een groot schrijver is. Al blijft zijn geroemde zintuiglijkheid, om met Reve te spreken, wel eens geslachtloos, dat doet aan die constatering niet af.

En ineens, zomaar, is het hoge woord eruit. Hij, Huizinga, is allereerst schrijver, hij hoort niet bij de door hem verfoeide «oorkondenquerulanten» van het soort Otto Oppermann; hij hoort niet bij de talloze goed schrijvende historici in heden en verleden. Om «gewoon» historicus te zijn, is zijn verbeeldingskracht veel te groot. Lees maar hoe hij het einde van een dag beschrijft in Herfsttij: «Nog even schijnt de zon op de torenspits, dan wordt de lucht koel, uilen en vleermuizen beginnen rond te vliegen, en het klokje der Kapel luidt het Ave.» Of lees hoe hij schrijft over het helaas verdwenen gevoelsleven uit de tijd waarin het boek zich afspeelt: «Hoe ver zijn we nu weer van dien schellen lach en den toomeloozen hartstocht.» Geen historicus mag zoiets uit zijn pen of toetsenbord laten vloeien, noch van zichzelf, noch van zijn collega’s. En dan is er nog iets: Huizinga wil te veel van de geschiedenis om «slechts» historicus te zijn – de troost bijvoorbeeld van een gelukzalige stemming die het verleden zou kunnen oproepen; normaal gesproken probeert men zo’n stemming te verkrijgen via een techniek als transcendentale meditatie of, inderdaad, slaat men Andersen of de gebroeders Grimm daartoe open. Huizinga, kortom, is niet zomaar een «ander soort historicus». Wat hij is, onttrekt zich aan de gangbare definities. Otterspeer vraagt zich af of «zijn mystiek» niet «gewoon een soort literaire homeopathie» is. Maar wat het ook is, Huizinga is niet helemaal van deze aarde. En zo hij al ingedeeld moet worden, dan bij het schone schrijversvolk.

Ter Braak zou grimmig, maar toch ook goedkeurend knikken wanneer hij bij Otterspeer zou hebben kunnen lezen dat Huizinga «onze enige reële kanshebber op de Nobelprijs voor literatuur was», en dat hij tussen onze handvol klassieke schrijvers thuishoort en niet zozeer tussen de historici. Huizinga zelf liet zich zelden uit over de kwestie historicus of niet, het was tenslotte een schijnprobleem. Toch was er een slip van de pen, een behartenswaardige ontboezeming. In november 1924, Huizinga is dan bijna 52 jaar, schrijft hij aan een vriend: «’t Is eigenlijk gek: andere ‹geleerden› hebben hoopen problemen, die zij branden van verlangen om te onderzoeken. Ik eigenlijk niet. Er is niets wat mij onmiddellijk occupeert; zelfs die min of meer visionaire ‹hantises› van het verleden uit jonger jaren blijven weg, en wat ik zou willen uitdrukken wordt hoe langer hoe vager, en ligt nauwelijks meer op het gebied van historie of eenige andere wetenschap.»

De beste getuige in «de zaak» tegen de historicus Huizinga blijkt Huizinga zelf. * Jos Palm is historicus en journalist. Van Willem Otterspeer verscheen Orde en trouw: Over Johan Huizinga De Bezige Bij, 254 blz., e 19,90