Vrieskou en huwelijksmoraal

Literatuur ‘68

In de jaren zestig was alles overzichtelijk. Het zal wel komen doordat dit decennium ruwweg samenvalt met mijn kindertijd (ik ben van 1958), die ik doorbracht in een toen nog keurig gereformeerd gezin, en het geheugen heeft nu eenmaal de neiging jeugdherinneringen te stileren, maar ik ben ervan overtuigd dat mijn eigen ontwikkeling parallel loopt aan een ontvoogding en vooral complicerende bevrijding die grote groepen Nederlanders toen hebben ervaren.

Op Prinsjesdag stonden we steevast feestelijk uitgedost te wachten tot de Gouden Koets voorbij kwam en zwaaiden we naar Hare Majesteit, lichtelijk gespannen, want wat zou er gebeuren als we onvoldoende enthousiasme uitdroegen? Op 8 december 1962, aan het begin van een mythische winter, werd de oude vorstin begraven.

Als om de veranderingen die in de lucht hingen zo lang mogelijk tegen te houden, teisterden sneeuw en vrieskou het land tot ver in maart. Vader las voor uit de Bijbel, moeder baarde nog wat kinderen en de bakker kwam met zijn kar langs de deur. Op het strand droegen de dames degelijke badpakken. Periodiek ging mijn vader in een indrukwekkend uniform op herhalingsoefening, want de Russen bedreigden permanent de oostgrenzen. In de straat waar wij woonden had nog lang niet iedereen een auto. Maar het zou niet duren.

Ik zag mijn eerste neger in de tram. Mijn moeder kreeg een centrifuge en een koelkast. Er stond een foto in de krant van een man in een ruimteschip. Ik ontdekte dat vrouwen ook wel eens een broek droegen, zij het met de rits aan de zijkant. Op school maakte de kroontjespen geleidelijk plaats voor een ballpoint, zodat ik niet meer elke dag met inktvlekken overdekt thuiskwam. Bij de bruiloft van Beatrix huurden mijn ouders een televisietoestel dat niet best werkte, maar wel voldoende om te kunnen zien hoe destructieve krachten het waagden de nationale vreugde te verstoren met een rookbom.

Als ik in de jaren daarna bij mijn neefjes in Amsterdam logeerde, instrueerde mijn oom ons zorgvuldig: mocht de tram weer belaagd worden door langharige relschoppers, dan dienden we onverwijld ineen te duiken op de vloer van het voertuig. Dat gebeurde natuurlijk nooit.

In de kerk deed op hoogtijdagen slechte beatmuziek zijn intrede. De huwelijksmoraal van mijn oudtestamentische vader bleek, maar dat ontdekte ik pas veel later, in de praktijk een stuk rekbaarder te zijn dan de theorie toestond. Hier en daar vernam je van scheidingen, al sprak het vanzelf dat zoiets in onze kringen niet voorkwam.

Maar de geest ging uit de fles, onvermijdelijk. Mijn moeder besloot weer te gaan studeren, tot ongenoegen van mijn vader, die daar de zin niet van inzag. Hij vermoedde terecht dat de onaantastbaarheid van zijn autoriteit ernstig gevaar liep. Enkele straten verder werd voor het eerst een grote supermarkt geopend, hetgeen diep ingreep in wat er bij ons op tafel kwam. Rond 1970 kochten mijn ouders een televisie. Ik ontdekte dat God niet bestond en leerde hoe je moest tongzoenen. Het zou nooit meer zo koud worden als in de eerste maanden van 1963.