Dale Peck, Hatchet Jobs

Literatuur als eindeloze voetnoot

Dale Peck

Hatchet Jobs. Writings on Contemporary Fiction

The New Press, 228 blz., € 24,50

David Foster Wallace

Oblivion

Abacus, 329 blz., € 22,-

Vlak voordat zijn Grote Amerikaanse Roman Infinite Jest uitkwam, publiceerde David Foster Wallace (1962) in The Village Voice een essay over Dostojevksi: Feodor’s Guide (april 1996). Daarin verklaarde hij de Russische literaire grootmeester van onschatbare waarde omdat «hij een passie, een overtuiging en een betrokkenheid bij diepgaande morele kwesties bezat die wij, hier, vandaag, niet kunnen bezitten of die wij onszelf niet toestaan». Waarom, vroeg Wallace zich af, lijken zoveel Amerikaanse schrijvers thematisch zo oppervlakkig en daardoor lichtgewichten, zo mager afstekend bij de klassieke Russen? Waarom verwachten wij, «onder onze eigen nihilistische betovering», van onze schrijvers een «ironische distantie» van diepe overtuigingen of wanhopige vragen zodat ze gedwongen worden zich in kunstmatige bochten te wringen, grapjes uit te halen of zich achter citaten of vervreemdingstrucs te verschuilen?

Dit zijn wezenlijke vragen voor iedere auteur die zichzelf en de wereld serieus neemt. Maar romancier/criticus Dale Peck — aan wiens zeer negatieve Wallace-stuk To P. or Not To P. in zijn Hatchet Jobs. Writings on Contemporary Fiction ik het Dostojevski-citaat ontleen — probeert niet zozeer zelf een mogelijk antwoord te geven. Hij zet bij voorkeur de bijl in het werk of het hoofd van de besproken schrijver. Hij verbaast zich erover dat Wallace schrijft dat de auteur zichzelf geen engagement toestaat. Er bestaat toch zoiets als een vrije keuze, reageert Peck gespeeld naïef, want elders in Hatchet Jobs zet hij genuanceerder uiteen dat de ware schrijver het menselijk karakter ervan verdenkt slechts het bijproduct te zijn van twee krachten: ons vermeende zelfbeeld zou niets anders zijn dan een keuze van chemicaliën die door interne en externe prikkels reageert. Maar de echte schrijver, dixit Peck, voelt de dringende behoefte — en daarom schrijft hij fictie — die hypothese te verwerpen om zo op z’n minst het idee van een bestaan los van het lot open te kunnen koesteren. Hier — in een afbraakstuk over Rick Moody’s memoires The Black Veil (openingszin: «Rick Moody is de slechtste schrijver van zijn generatie.») — blijkt de «vrije wil» problematischer dan Peck het in zijn tirade tegen Wallace doet voorkomen.

Ondanks het botte-bijlgehalte is Hatchet Jobs uitdagende lectuur. Met bravoure bekritiseert Peck de literaire canon, met Joyce als kop van jut. Na The Dead zou Joyce niets lezenswaardig meer hebben geschreven; met Ulysses — modernistisch boegbeeld — zou het twintigste-eeuwse proza verpest zijn door dezelfde pretenties, diffusie en onzuiverheid. «In de literatuur kun je, net als in het leven, niet doen alsof.»

Thomas Pynchon is voor Peck een gewiekste woordgoochelaar maar geen grote schrijver. Zeker, hij is goed in humor en in het ondermijnen van de traditionele verteltirannie, maar zijn romans missen herkenbare karakters en vormen slechts een eendimensionaal commentaar op de huidige Amerikaanse samenleving. Toch is Pynchon altijd nog beter dan Don DeLillo, aldus Peck. Diens «sociale satires zijn heel erg». Geen wonder dat Peck uitgesproken negatief is over iedere Amerikaanse schrijver die zich geïnspireerd weet door Pynchon of DeLillo: Jonathan Franzen, Rick Moody en David Foster Wallace. Wallace gaat verder dan een Pynchon-imitatie, hij «out-Pynchons Pynchon». Peck vindt het onbegrijpelijk dat Infinite Jest, een «verschrikkelijk boek», een bestseller is geworden, ongetwijfeld door de «Great American Hype Machine». Dat klinkt een tikje jaloers. Geen wonder dat hij een cartoon achtige bespreking van Infinite Jest levert: er schemert satire op de alomtegenwoordige Amerikaanse cultuurindustrie in de roman door, formuleert Peck ruimhartig, maar de lezer moet daarnaast achthonderd bladzijden «troep» doorworstelen over vele verslavingen, films en praatgrage terroristen.

Hier gaat het vaak mis in Hatchet Jobs. Dale Peck is zo boos in zijn analyses van schrijvers die hij slecht vindt dat hij hele romans in mootjes hakt. De roman als forum heeft aan culturele waarde ingeboet, vond Gore Vidal. Het modernistische en postmodernistische proza is een eindeloze voetnoot bij een wereld die zo razendsnel verandert dat de literatuur die niet meer kan bijhouden. Maar wat is dan het alternatief? Peck komt niet verder dan een nieuw soort Victoriaans realisme met dickensiaans engagement en objectiverende observaties à la Flaubert. In de slotzin van zijn nawoord heeft hij het nogal vaag over «een nieuw materialisme».

Maar zijn de boeken van, bijvoorbeeld, David Foster Wallace slechts een voetnoot bij de wereld, marginaal gepruttel tegen het alles en iedereen verslindende monster dat Amusement heet? Proberen zijn verhalen niet juist de marginaliteit van literatuur aan de orde te stellen? Infinite Jest is een familieroman rond filmmaker en zelfmoordenaar Jim Incandenza. De roman gaat over communicatie, over de wanhopige pogingen contact te maken met de ander, over het bestrijden van Weltschmerz. Tegelijkertijd gaat Infinite Jest over verweesdheid, vergetelheid, verdoving, verslaving, verdringing en verloedering. De roman vormt een mozaïek van vertellingen en stijlen (jargons, reclametaal, codes). De «onderwereld» van Infinite Jest bestaat uit verdriet om een verlies dat koste wat het kost gecompenseerd dient te worden. Dus wordt er gespoten, tv gekeken, gezopen en gesproken tot men erbij neervalt. De roman is een bloedernstige grap van een schrijver die wanhoopt aan de wereld, net als Dale Peck, en die zijn boek laat spelen in een «waste land», een woestijn van weggestopte emoties. De personages van Wallace lijken figuranten in hun eigen leven, in de marge van het bestaan weggemoffelde mensen die toch, tegen de bierkaai vechtend, proberen hun leeg en koud geworden gevoelswereld met paardenmiddelen te reactiveren.

Met de voorafgaande alinea heb ik meteen de kern beschreven van Wallace’s nieuwe verhalenbundel Oblivion. In acht verhalen van zeer wisselende lengte onderzoekt Wallace verschillende vormen van vergetelheid, afwezigheid, onwetendheid, onoplettendheid en (markt)manipulatie. Het wat steriele openingsverhaal Mister Squishy gaat over een groep mensen op de negentiende verdieping van een wolkenkrabber in Chicago die zich buigen over de marktwaarde van een mierzoete «snack cake». Tegelijkertijd bestijgt een anonieme klimmer (stuntman, terrorist, reclame?) dezelfde wolkenkrabber. De bio’s van de snackproevers worden afgewisseld met de klimvorderingen. Toch komen beide verhaallijnen nauwelijks bij elkaar en gaat het verhaal als een nachtkaars uit, ondanks interessante overpeinzingen over zogenaamd gewiekste en kieskeurige consumenten.

Het tweede verhaal, De ziel is geen smederij, is een typische half-van-horen-zeggen-vertelling van Wallace. Een jonge man probeert vanuit de onoplettende, dagdromende leerling die hij vroeger was te reconstrueren wat er in zijn schoollokaal gebeurde tijdens een les waarin leraar Johnson alle amendementen van de Amerikaanse Grondwet op het bord schreef. «Want het is waar dat de levendigste en ingrijpendste gebeurtenissen in ons leven vaak die zijn welke plaatsvinden in de marge van ons bewustzijn.» Details en associaties (bijvoorbeeld over een dode vader) blijken vitaler dan de gebeurtenis zelf, dat wil zeggen de leraar die voor de klas de kluts kwijtraakt en tussen de grondwetswoorden KILL KILL KILL KILL kalkt.

De vergetelheid die al uit de titel van Wallace’s verhalenbundel spreekt, heeft alles te maken met het werk en het leven van zijn vader. Op zevenjarige leeftijd voorzag de zoon al de nachtmerries die het volwassen leven voor hem in petto had. En die nachtmerries duiken in ieder Wallace-verhaal op: een vader probeert tevergeefs zijn kleine kindje te redden van de verbrandingsdood door kokend water; voordat een van zichzelf vervreemde man («My whole life I’ve been a fraud.») zelfmoord pleegt gaat hij naar een psychiater, die hij ook bedriegt. Alle verhalen — virtuoos geschreven maar hier en daar te afstandelijk, te steriel — gaan over culturele desoriëntatie, artistiek bedrog en de onmogelijkheid zich met elkaar te verstaan. Ik heb het idee dat Oblivion een literair tussendoortje voor Wallace is, na zijn non-fictieboek Everything and More (2003), een studie over wat oneindigheid in wiskundige termen kan betekenen.

Het slotverhaal van Oblivion speelt zich onder meer af in New York, op de zestiende verdieping van de zuidelijke WTC-toren, tien weken voor 9/11. Op de eerste blanco bladzijde na het slotverhaal hangen de twee kero sine bommen nog in de lucht boven Manhattan. De lezer houdt zijn adem in en weet dat hij nog een paar jaar moet wachten tot de volgende megaroman van David Foster Wallace verschijnt, een boek voorbij 9/11 dat de Amerikaanse consumptiemaatschappij vol paranoia, escapisme, taalbederf en communicatiestoornissen in schrille tinten zal verbeelden.