Lucas Hüsgen, Het meisje in blauwe zijde

Literatuur als ritueel

Lucas Hüsgen

Het meisje in blauwe zijde

Uitg. Querido, 126 blz., € 16,50

Lucas Hüsgen houdt in zijn kleine roman Het meisje in blauwe zijde de raadsels in stand. «Hier is waar ik zou moeten zijn, en ik ben hier zonder er te zijn zoals ik er zou moeten zijn», luidt de eerste zin die plaats, tijd en omstandigheden van dit boek niet wat je noemt nader expliciteert en zo’n zin zet uiteraard de toon van het geheel. Deze roman is niet van plan een eenduidige geschiedenis te vertellen over een zoon die de omstandigheden en achtergronden van de dood van zijn vader probeert te achterhalen. Doorgronden is misschien een beter woord. Dit boek probeert een raadselachtig doodsritueel te ontwarren via een ritueel dat schrijven heet. Er is overigens wel degelijk een navertelbare geschiedenis, die ons terugvoert naar de Nederlandse betrokkenheid bij de Koreaanse oorlog uit de vroege jaren vijftig. Hüsgen voert zijn held, de zakenman Vincent Winkelman, terug naar het slagveld van Hoengsong waar destijds hard en gruwelijk gevochten is en waar zijn vader deelnam aan de gevechten. En daar een trauma opliep dat hem vele jaren later op zijn sterfbed nog achtervolgt.

We krijgen dus geen documentaire voorgeschoteld, er is geen weergave achteraf van de strijd van toen die de laatste tijd overigens meer en meer aandacht krijgt. Nog maar een paar weken geleden zag ik een aantal Nederlandse oud-strijders op de televisie over de gruwelen van de strijd om Hoengsong vertellen, de plek dus waar Hüsgens boek ons mee naartoe neemt. De held dwaalt door het oude slagveldgebied, probeert precieze locaties te achterhalen. Hij maakt kennis met een paar bewoners daar, vindt een gedenkteken en raakt tegelijkertijd langzamerhand verdwaald binnen de duistere kanten van de Zuid-Koreaanse welvaartsstaat. Wat is er destijds precies daar gebeurd?

Geertrui Daem liet haar roman Koud, genomineerd voor de Librisprijs 2001, ook al spelen rondom de verwerking van Korea. Zij geeft via de blik van een meisje een sentimentele visie op een oud-Korea-strijder die zich bij terugkeer in het «moederland» niet kan aanpassen, die zich in de steek gelaten voelt door de autoriteiten en die ondergaat in zelfmedelijden. Haar boek wil een aanklacht zijn maar blijft hangen in te grote eenduidigheid. Dat van Hüsgen is eerder een poging recht te doen aan rituelen van de doden; hij wil de raadsels daarvan niet ontcijferen maar vergroten, waardoor ze een betere plaats in het leven van nabestaanden kunnen krijgen.

Hij gebruikt daarbij een aantal verschillende stijlen. Allereerst die van het reisverslag, we maken gedetailleerd kennis met Zuid-Koreaanse verhoudingen en landschappen, al stijgt zijn weergave ver uit boven toeristische verslaggeving. Hij hanteert daarnaast een zeer particuliere stijl die ver afstaat van taalgebruik dat we «gewoon» plegen te noemen. Met deze sterk rituele stijl houdt Hüsgen een zekere distantie ten opzichte van zijn onderwerp in stand. Hij gebruikt literatuur als middel om het verschrikkelijke op afstand te kunnen houden. Literatuur als ritueel. «Lange tijd ontbrak het aan redenen om te vermoeden dat scharminkel en rabiaat verheffen van de wereld middels de blik omarmden in een verre verte, misschien op een modderige landweg tussen bergen door, langs rotsen op — waar de wouden verbrand staan.» Zo’n zin verwacht je in een landschapsbeschrijving van Duitse romantici maar niet in een eigentijdse roman over de Koreaanse oorlog. Hüsgen laat zijn ik-personage rekenschap van deze stijl afleggen; volgens hem kun je alleen iets ontraadselen van het verleden wanneer je zo mooi mogelijk schrijft: «Zo schrijf ik onophoudelijk in al te hechte taal onophoudelijk te mooi». Deze zin lijkt een uitgangspunt te formuleren van Hüsgens hele schrijverschap. Deze rituele stijl verleent aan de roman een sfeer die het lezen ervan laat samenvallen met de zoektocht van de ikfiguur: het verleden laat zich niet gemakkelijk grijpen, het wijkt van ons, verder en verder. Het is alleen oproepbaar in rituelen en in rituele zinnen, Hüsgen maakt dit tastbaar.

Af en toe lijkt het alsof een andere roman door dit boek heen steekt: de geschiedenis van de ik en zijn vrouw Edith. Hüsgen slaagde er niet in deze verhaallijn met die van de zoektocht in Korea te verbinden. Hij draagt een paar zetstukken aan maar ze passen niet genoeg in het geheel. Maar hier gaat het allemaal niet om, het gaat om de vermenging van stijlen die Hüsgen inzet om een beeld van een land, een dood en een verleden te kunnen geven. Die maken zijn boek tot een kunstwerk. «Ik overzie, hunkerend op mijn aangelichte plek naar de plek van water, de pagina’s en acht mij alleszins capabel tot het schrijven van esthetisch zeer verantwoorde en beschermende zinnen. Ik schaam mij er niet in het minst voor dat ik mij met hen in deze duisternis zal achterlaten.»