Interview Marcel Reich-Ranicki

«Literatuur is er om te amuseren»

Dezer dagen verscheen «Mein Leben», de autobiografie van de befaamde Duitse literatuurcriticus Marcel Reich-Ranicki, in het Nederlands. «Als jood was ik van veel dingen buiten gesloten. Daarom heb ik veel gelezen.»

Marcel Reich-Ranicki is vandaag in een goed humeur en dat schijnt niet vanzelfsprekend te zijn. De tachtigjarige is enkele dagen in Amsterdam en heeft gisteren en vandaag al diverse interviews moeten doorstaan. Hij is vermoeid en geïrriteerd geraakt door het verkeerde soort vragen. Vooral van het «wat zou er gebeurd zijn als»-type heeft hij inmiddels schoon genoeg gekregen. Wat zou er gebeurd zijn als hij voor de oorlog naar Engeland was verhuisd? Wat zou er gebeurd zijn wanneer hij niet in Polen was geboren? Hij weet het niet en het zal hem ook een zorg zijn.

Duitslands beroemdste literatuurcriticus publiceerde vorig jaar zijn fascinerende autobiografie Mein Leben, waarvan dezer dagen de Nederlandse vertaling is verschenen («U moet schrijven dat ze mijn boek moeten kopen»). De Poolse jood Marcel Reich — de naam Ranicki wordt pas na de oorlog toegevoegd — beschrijft zijn jongelingsjaren in Berlijn, van waaruit hij in 1938 weer terug naar Polen wordt getransporteerd. Hij overleeft samen met zijn vrouw Tosia de verschrikkingen van het Warschause getto en haalt de Russische bevrijding door bij niet-joodse Polen onder te duiken. In 1958 vlucht hij naar West-Duitsland. Hij schrijft voor Die Zeit en wordt literatuurchef van de Frankfurter Allgemeine Zeitung. Haat en bewondering vallen hem overvloedig ten deel. Het televisieprogramma Literarisches Quartett, waarin hij samenwerkt met Hellmuth Karasek en de inmiddels uitgerangeerde Sigrid Löffler («Ik heb haar getolereerd omdat ze aan twee voorwaarden voldeed: ze kwam uit Oostenrijk en ze was vrouw»), maakt hem in de loop van de jaren negentig tot een nationale ster. Hij is hartstochtelijk, hij mist volledig het vermogen om vage uitspraken te doen. «Een roman van Mulisch», zegt hij in de uitzending van augustus 1993 over Die Entdeckung des Himmels, «achthonderd bladzijden, schon schlecht. Een moderne roman, en dan achthonderd bladzijden, die moet wel slecht zijn.» Hij oordeelt zonder aanzien des persoons; hij wil het kaf van het koren scheiden, laten zien wat goede en slechte literatuur is. «Ik wil objectief zijn», zegt hij, «zoals een arts bij zijn patiënt.»

Er kan geen twijfel over bestaan welk type heelmeester hij is.

«Er is een nieuwe gewoonte», brandt hij los, wanneer het interview eigenlijk nog niet is begonnen, «een nieuwe internationale gewoonte. Eén journalist heeft het verzonnen en nu vragen ze het allemaal: ‹Eet u graag aardappelsoep?› ‹Nee.› ‹Heeft u daarvoor een verklaring?› ‹Nee.› Of ze vragen: ‹Houdt u van blonde vrouwen of van zwartharige? En waarom dan?› Ik moet overal een verklaring voor hebben. Maar alles wat er te zeggen is, staat al in mijn boek.»

Wat betekent het eigenlijk, leven in en voor de literatuur?

«Hier in Amsterdam stelde een journaliste mij een opmerkelijke vraag. Ze zei: ‹U schrijft steeds over uw beroep, over de literatuur, theater, muziek. Maar er is niets over uw privé-leven.› Dat was natuurlijk dwaas. In de eerste plaats: alles wat ik schrijf heeft met mijn privé-leven te maken. De literatuur ís mijn privé-leven. Bovendien heb ik veel geschreven over mijn vrouw, over hoe ik haar heb leren kennen. Maar het is wel waar dat ik in een literair milieu leef. Mijn vrienden uit Frankfurt en Duitsland komen uit de literaire wereld. Het zijn allemaal schrijvers, journalisten, televisiemensen.»

U zou niet bevriend kunnen zijn met iemand die geen boeken leest?

«Nee, zeker niet. Literatuur was mijn leven vanaf mijn jeugd. Mijn jeugd speelde zich af in het Derde Rijk. Voor een jood was de situatie uiteraard moeilijk en buitengewoon. Ik was van veel uitgesloten, van schooluitjes, van danslessen. Vriendschappen met niet-joden werden steeds zeldzamer. Je was bevriend met een kleine kring joden. Omdat ik van veel normale dingen buitengesloten was, heb ik boeken gelezen. Zeer veel boeken. Ik begrijp nu niet meer hoe ik in zo weinig tijd zo veel boeken heb kunnen lezen. Maar ik kon dat omdat ik het schoolwerk niet zo ernstig nam. Ik deed net genoeg om over te gaan.»

De literatuur was een «draagbaar vaderland».

«Ja, dat heb ik bij Heine gevonden. Hij schreef dat de joden tweeduizend jaar geleden van de bijbel een draagbaar vaderland hadden gemaakt. Voor mij vervulde de literatuur die functie.»

U heeft geschreven dat u bang was om alleen in de literatuur te leven en van al het menselijke uitgesloten te zijn. Heeft die pijnlijke situatie zich ook voorgedaan?

«Ach ja, ziet u, in mijn jeugd had ik maar weinig vrienden. Ik kende geen meisjes, de klassen waren niet gemengd. Nur Knaben. Ik leidde een leven dat beperkt was tot boeken lezen. Boeken lezen en meer niet. Geen leuke uitstapjes, geen landschappen.»

Vermoedde u in dat Berlijn van de jaren dertig wat er zou gaan gebeuren? Er werden maat regelen tegen de joden genomen. Trok u daaruit conclusies?

«Nee, natuurlijk niet. Het zat zo. Het was de bedoeling dat mijn ouders en mijn zuster naar Engeland zouden emigreren. Mijn zuster leeft nog, in Londen, 93 jaar oud. Ze zou met haar man, een Duitse jood, naar Engeland verhuizen en vervolgens mij laten overkomen. Hun emigratie is inderdaad gelukt, maar pas in juli of augustus 1939. Dat was te laat. Ik bleef in Berlijn en mijn ouders en mijn broer gingen terug naar Polen. Ik werkte als leerling bij een exportfirma — dat was toen nog mogelijk — in afwachting van mijn vertrek naar Londen. In de herfst van 1938 werd ik plotseling gedeporteerd. De situatie zag er natuurlijk slecht uit. Ik had echt geen mogelijkheden, gelooft u mij, anders was ik wel naar Amerika of Engeland vertrokken. Ik wilde toen gaan studeren. Ik verzocht de universiteit van Berlijn om toelating, maar dat was naïef. Zo'n verzoek moest natuurlijk worden afgewezen.»

Zou uw carrière er anders hebben uitgezien wanneer u geen autodidact was geweest, maar een academicus?

(Mijn vraag heeft, zo realiseer ik me te laat, een hoog «wat zou er gebeurd zijn als»-gehalte, maar de meester is ditmaal genadig. Het kan ook anders. Diezelfde avond in De Rode Hoed, op de juiste bedrijfstemperatuur gebracht door de zoveelste inefficiënte vraag van zijn vertaalster Gerda Meijerink, zal hij zijn handen vertwijfeld naar de zoldering uitstrekken en met sarcastisch-krakende stem een vonnis uitspreken: «U heeft het boek uitstekend vertaald, maar u heeft het niet gelezen»).

«Jazeker. Ziet u, ik ondervind, zoals iedere succesvolle en invloedrijke criticus, veel afgunst en concurrentie. En haat, ja, zelfs haat. Er worden in Duitsland allerlei argumenten tegen mij aangevoerd. Günter Grass heeft mij eens, dertig jaar geleden, toen hij ontevreden over me was, een ‹liefhebber› genoemd.»

En dat was niet als compliment bedoeld.

«Hij bedoelde dat ik een dilettant was. De grap bestaat eruit dat Grass ook niet gestudeerd heeft. Hij heeft zijn eindexamen niet eens gehaald, in tegenstelling tot mij. Hahaha, er hat nicht einmal… en hij permitteerde het zich om mij een liefhebber van de literatuur te noemen! En verder is er ook tegen mij ingebracht dat ik een journalist ben en geen echte wetenschapper. En inderdaad, volgens mij is kritiek een symbiose van wetenschap en journalistiek. De grootste Duitse critici waren ook journalisten: Heinrich Heine, of Theodor Fontane, die eigenlijk apotheker was. Ik kan niet uitsluiten dat wanneer ik bij de goede professoren gestudeerd had, ik iets geleerd had wat ik nu niet geleerd heb. Maar de professoren zouden ook mijn stijl hebben bedorven, mijn temperamentvolle, spontane, onmiddellijke stijl.»

Uw beide ouders zijn vermoord in Treblinka, uw broer kwam daar om. U schrijft op diverse plaatsen dat u niet haatdragend bent. Dat is voor mij erg moeilijk te begrijpen.

«Voor mij ook.»

Is haat een talent?

«Nee. Ik heb iets geleerd. Je vindt het bij Nietzsche. ‹Je moet volken noch liefhebben, noch haten.› Als ik in Duitsland iemand hoor zeggen: ‹Ik hou van de Hollanders› — schon schlecht! Weet u waarom? Morgen zal hij zeggen: ‹Ik haat de Turken.› Je moet individuen liefhebben, afzonderlijke vrouwen. Bij alle volken komen ongure elementen voor. De moderne jodenliefde is ook verdacht. Filo semitisme is antisemitisme, maar dan omgekeerd. Mijn verhouding tot Goethe of Schiller of Kleist is door de holocaust overigens niet veranderd. Zelfs niet mijn relatie tot Richard Wagner, hoewel hij een verschrikkelijke antisemiet was. In zijn muziek, in Tristan und Isolde, daarin hoor ik heel veel, maar geen antisemitisme.»

De historicus Ernst Nolte publiceerde in 1986 in Reich-Ranicki’s «eigen» Frankfurter Allgemeine een artikel waarin de nazi-misdaden werden vergoelijkt. Het was de aanvang van een heftige Historikerstreit. Het onderwerp irriteert Reich-Ranicki zichtbaar. Uitgever Joachim Fest plaatste Noltes artikel zonder hem te raadplegen. «Ik heb er zelf niets over geschreven, om één reden. Mijn collega’s drongen erop aan om Nolte te antwoorden. Ik zei ja, op voorwaarde dat Fest, mijn oude vriend, mij erom zou vragen. Maar hij heeft mij niets gevraagd, omdat hij heel goed wist dat ik geloofde dat hij zich in deze zaak verkeerd gedragen had.»

Van iemand met uw temperament zou ik verwachten dat hij na publicatie van Noltes artikel was opgestapt. Dat deed u niet.

«Nee, nee, nee, daarmee zou ik iemand een plezier hebben gedaan. Ik was blij dat er in andere kranten op Noltes artikel werd gereageerd. Ik wil nog iets toelichten zodat u me goed begrijpt. Ik ben vorige week door Sabine Christiansen van de ARD uitgenodigd om aan een discussie deel te nemen rond het thema antisemitisme. Ik zei meteen: ‹Nee, daar valt niet over te praten›.»

Omdat?

«Omdat ik een jood ben. Laten ze de aartsbisschop van Berlijn iets vragen; wat ik te melden heb weet toch al iedereen. Er wordt in Berlijn al jaren over een Mahnmal (gedenkteken voor de holocaust — tdh) gediscussieerd. Ik zat in geen enkele commissie. Ik heb niets gezegd of geschreven. De zaak gaat me niet aan. Ik heb dit gedenkteken niet nodig en mijn vermoorde ouders ook niet. Ik hoef niet gemahnt te worden. Het is een Duitse aangelegenheid, Duitsers moeten erover beslissen, en dat er in de stichtingsraad joden zitten, vind ik zeer betreurenswaardig. Joden hebben daar niets te zoeken, ik niet in ieder geval. Ik zeg er geen woord over. Of dit project mooi is, of niet mooi, te groot, te klein, de juiste plek, alles nicht meine Sache. Ik discussieer niet over antisemitisme. Al die domme meisjes van kranten die me bellen met de vraag (imiteert een zeurderige stem): ‹Maar waarom dan niet?› Heel eenvoudig, omdat ik een jood ben. Schluss! Ik ben een betrokkene, ik ben partijdig, dus ben ik niet geroepen om me te uiten. Of het mij aangaat? Natuurlijk gaat het me aan! Een kwestie kan mij niet méér aangaan dan deze. Maar ik ben niet geroepen om mij in het openbaar te uiten.»

En voor de gebeurtenissen in Israel voelt u zich ook niet verantwoordelijk.

«Nee. Ik ben jood, ik zeg het bij iedere gelegenheid, maar ik hang niet het joodse geloof aan. Ik geloof niet in God en in de joodse godsdienst bevallen sommige dingen me, maar de meeste niet. Ik beschouw vele joodse religieuze voorschriften als absurd en grotesk. Dat je op zaterdag geen auto mag rijden, totale waanzin. Maar dat de sabbat aan de wetenschap moet worden gewijd, dat bevalt me wel weer. Ik ben de laatste 66 jaar éénmaal in een synagoge geweest. Dat was vijf jaar geleden in Praag, als toerist.»

Ik zou willen terugkeren naar de literatuur. Milan Kundera heeft eens gezegd dat grote werken intelligenter zijn dan hun schrijvers.

«Prachtige uitspraak. Ik zal het u nog sterker zeggen. Wanneer u mij vraagt wie de grootste dichter van de wereld was, dan zeg ik Shakespeare. Wanneer u mij vraagt welk werk de meeste indruk heeft gemaakt, is mijn antwoord zeer onorigineel: Hamlet. Wanneer Shakespeare hier vandaag de kamer in kwam, en wanneer hij zou horen wat er over Hamlet allemaal gedacht en geschreven is, zou hij zeggen dat we gek waren. Hij heeft alleen maar een verhaal geschreven over een jongeman in Helsingør. De mensen om hem heen bevallen hem niet en hij rebelleert tegen hen. Hij bereikt niets en ten slotte komt hij om. Verder is alles interpretatie. Alle geniale werken van de literatuur bestaan gewoon verder. De schrijfster Ulla Hahn had een gedicht geschreven dat door een dominee als religieus was opgevat. Hij wilde het in zijn preek gebruiken. Haar eigen associaties waren helemaal niet religieus, maar seksueel. Toch gaf zij graag toestemming. Het is wezenlijk voor belangwekkende literatuur dat zij boven de bedoelingen van de auteur uitstijgt. Shakespeares stukken gaan over de toestand in de tijd waarin hij leefde. Wij betrekken al deze stukken op onze eigen tijd. Als dat niet zou kunnen, zouden ze niet veel waard zijn. De auteur begrijpt heel veel van literatuur, ongeveer even veel als vogels van ornithologie. Hij maakt literatuur, maar kan zijn eigen werk niet goed beoordelen. De belangrijkste reden, maar niet de enige is dat hij weet wat hij wilde schrijven. Dit weten vertroebelt zijn blik op het resultaat. En dan moet er iemand van buiten komen.»

De criticus.

«Ja. En waarom is er literatuur? Het belangrijkste: om de mensen te amuseren. Ook Bertolt Brecht vond de amusementsfunctie de belangrijkste. Maar in deze functie heeft literatuur een verschrikkelijke concurrent gekregen: de televisie, en nu ook het internet. Neem Hamlet. Alles is heel opwindend, maar in de vijfde acte is er een komische scène, die met de doodgravers. Voor de afwisseling. Brecht wist het ook: marxisme op het toneel zónder muziek, dat was niet te doen.»

U spreekt vaak over geïsoleerdheid, «Heimatlosigkeit». Hoort dat bij het leven van een criticus?

«Ja ja ja! Het is al bijzonder om als jood in Duitsland te leven. Dat is geen normale situatie. Critici zijn meestal zeer eenzame mensen. De reden is eenvoudig. Ik ben als criticus op een leven in het literaire milieu aangewezen. Ik kan niet bevriend zijn met chemici of fysici. Maar een schrijver mijdt het contact. Hij is bang om te spreken. Hij is bang dat ik hem vraag waaraan hij werkt. Als hij bijvoorbeeld zegt: ‹Aan een roman waarin een man aan het einde zelfmoord pleegt›, en het boek blijkt veranderd te zijn, dan zou ik kunnen schrijven: ‹Oorspronkelijk was het de bedoeling dat de man zelfmoord zou plegen, maar helaas is het veranderd.› Hahaha. Hij wil zich niet blootgeven, de schrijver, omdat hij er altijd aan moet denken dat ik zijn laatste boek ongunstig heb beoordeeld, en dat ik zijn nieuwe boek misschien gunstig zal beoordelen, of juist omgekeerd. Schrijvers gedragen zich bij critici geremd. Zelf mag ik graag een praatje maken met schrijvers die ik slecht besproken heb, maar dat willen ze niet met mij.»

Wanneer iemand uit het publiek Reich-Ranicki ’s avonds vraagt of hij een gelukkig mens is, antwoordt hij zonder een zweem van pathos: «Nee. Ik ben nooit helemaal gelukkig geweest.» Niet eerder heb ik iemand dat op zo'n energieke en overtuigende manier horen zeggen.

Marcel Reich-Ranicki, Mijn leven.Uitg. Bert Bakker, 384 blz., ƒ49,50