Literatuur opnieuw uitvinden

WILLEM JARDIN
MONOGRAFIE VAN DE MOND
Meulenhoff, 340 blz., € 19,90

Deze roman vertelt een familiegeschiedenis, het verhaal speelt zich af in de jaren negentig van de vorige eeuw. Twee broers, Paul en Frank Heineman, groeien op in een joods milieu. Paul ziet in het heden een ongeremde voortzetting van het verleden. Hij had een sterke band met zijn grootvader die vroeger als slager werkte in het Amsterdamse abattoir en bouwt in zijn huis een maquette van dat abattoir waarbij hem steeds meer de treffende overeenkomsten met de organisatie en architectuur van Duitse vernietigingskampen in het oog beginnen te lopen. Zijn broer Paul werkt als filosoof aan de Columbia Universiteit in New York, hij neemt eerst afstand van zijn joodse afkomst, maar voelt zich later steeds sterker aangetrokken tot vormen van joodse mystiek.
De schrijver vertelt de geschiedenis van Paul in de ik-vorm, die van Frank in de hij-vorm, wat hem de gelegenheid geeft iets meer afstand te nemen. Maar dit is nog niet alles, de roman bevat ook twee uitermate aantrekkelijke en gewaagde essays: een over de mond en een over huid en haar. Ze gaan indringend in op het belang van deze lichaamsgebieden. ‘Alles in de mond wordt geproefd. Eten en drinken is proeven, maar ook spreken en zingen is proeven. Ritme, melodieën, woorden, voedsel en drank zijn slechts relatief van elkaar te onderscheiden. In de mond leiden zij een gemeenschappelijk bestaan dat, of de beweging nu inwaarts of uitwaarts is, onlosmakelijk verbonden is met de activiteit van onderzoeken en keuren, dat wil zeggen: confrontatie met de smaakzin.’ Gedurfde zinnen zijn dit, zo lees je ze niet vaak in Nederlandse romans, ze laten niet alleen een grote schrijflust zien, maar ook een zeer aantrekkelijke en vooral onbescheiden schrijfhouding. Wie zo schrijft, die durft. En Willem Jardin durft dus. Zowel deze beschouwingen als de verhalen van Paul en Frank denderen voort, in af en aan golvende vaak gewaagde zinnen die altijd op hun pootjes terechtkomen.
Vooral in het verhaal van maquettebouwer Paul laat Jardin zijn grote en aansprekende schrijftalent ten volle zien. Geen geprietpraat op de vierkante centimeter over futiele problemen van weer de zoveelste puber die het niet zo erg ziet zitten met zijn vriendjes of zijn ouders, of zijn vriendin. Of over iemand met een allochtonenprobleem dat de lezer ook al niet kan oplossen. Maar hier volop beschrijvingswoede van hoog niveau en in een verteltrant die alles op alles zet om ons een krankzinnig verhaal in te peperen. De gekwelde Paul met zijn macabere maquette komt prachtig tot leven en dat zit ’m vooral in het gedetailleerde schrijfwerk dat Jardin levert.
Ach, waren er maar meer van dit soort losgeslagen schrijfbarbaren in Nederland! Zijn beschrijvingen van bezoeken van het jongetje Paul aan het abattoir zijn gruwelijk en daardoor gewoonweg meesterlijk. Jardin zoekt het om de verschrikkingen op te roepen niet in algemene beschouwingen, maar in opsommende details. Zie bijvoorbeeld de beschrijving van opgestapelde huiden in een kelder van het abattoir. ‘Ik zag twee stapels huiden, manshoog. Platte lichamen met elkaar verkleefd tot een rottende kolos, een stinkend dier van vele dode levens, dat een van bacteriën krioelende bedorven adem tegen het plafond blies. Uit de poriën van dit monster, de vettige scheidslijnen tussen de huiden, droop schimmelend geleiachtig zweet, dat van de hele looiruimte een grote slijkput maakte. Een reuzenpoliep van ontaarde huiden. Koeien, ossen en paarden afgestroopt, onthaard, ontstaart, ontveld, onthoornd.’ Dit gaat verder dan mooischrijverij, het is allemaal in een roes gezien en gehoord, voor Jardin gaan op schrijfgebied weinig zeeën te hoog.
Het deel waarin de belevenissen van de filosoof Frank in New York worden beschreven greep me minder bij de keel. De meer afstandelijke hij-vertelwijze speelt Jardin hier parten. De liefdesgeschiedenis (altijd die liefde, van mij mag het ook ergens anders over gaan) met het intelligente en uiteraard mooie meisje Naomi neemt af en toe de proporties en de stijl aan van kioskromans. Jardin weet hier niet steeds de originele toon en bevlogen stijl van het eerste deel vast te houden en dus komen we zinnen tegen als de volgende: ‘Voor haar deur, terwijl zij het slot ervan opende, wist hij waar hij echt in geloofde: haar persoonlijkheid, haar humanisme, haar tragiek. Als er een heilige drie-eenheid was dan stond die voor hem. En zij stond op het punt hem binnen te laten.’ Allemaal te grote woorden, onnodige woorden, laat het maar zien, dat humanisme, die persoonlijkheid, dat binnenlaten et cetera.
Nadeel is ook dat Frank zich in dit deel steeds meer ontpopt tot een filosoof die sterk wordt aangetrokken door het idee dat alles met alles samenhangt en niets dus toeval is. Jardin laat zich hierbij vrij vaak verleiden tot sterk aan Mulisch herinnerend filosofengezwatel waar ik uit plaatsvervangende schaamte mijn best voor doe om er overheen te lezen. ‘Of de tijd werd opgeheven door fusie van dingen die in de tijd van elkaar verwijderd waren. Door die fusie leek alles hetzelfde, alsof er een plotseling uitzicht was op de gemeenschappelijkheid van dingen.’ Het staat er wel, maar wat staat er eigenlijk?
Men begrijpe mij goed: het is niet de bedoeling dat mijn geklaag de overhand neemt. Dit is een prachtig boek van een schrijver die gewoon, zoals het hoort, helemaal in literatuur gelooft. Het lijkt er in veel passages op dat hij literatuur op eigen houtje opnieuw probeert uit te vinden. Van dit soort ambities moeten we het uiteraard hebben. Geef mij maar iemand die waagt en het niet erg vindt af en toe uit de bocht te vliegen dan dat realismegeneuzel van de meeste schrijvers. Willem Jardin heeft met dit spetterende boek een statement gemaakt. We hebben er weer eentje bij.