Literatuurgeschiedschrijving (2)

Op 17 januari 1997 kwamen zo’n honderd neerlandici uit Noord en Zuid samen om de mogelijkheid van een nieuwe literatuur geschiedenis te bespreken. Het resultaat, een nieuw handboek, verschijnt vanaf 2006.

In den beginne was de literaire tekst, ook in Nederland. «Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu», omstreeks 1100 neergepend en steeds weer anders geïnterpreteerd, geldt als het startpunt. Na dit prille begin wordt de stroom steeds breder. Op het eind van de twintigste eeuw is het aantal als literair bestempelde uitgegeven werken uitgegroeid tot bijna tienduizend per jaar.
Het is opvallend dat men er pas betrekkelijk laat toe overging om die per eeuw groeiende literaire activiteit in kaart te brengen en in chronologisch geordende overzichten te presenteren. De oudste is de Histoire littéraire de la France (1733). Engelse, Duitse en Italiaanse overzichten dateren ongeveer uit dezelfde tijd. In Nederland werd men pas ruim vijftig jaar later literair-historisch actief. In de negentiende eeuw zal de literatuurgeschiedschrijving in heel Europa een grote vlucht nemen en een alles overheersende positie innemen in de literatuurstudie.
De literatuurgeschiedschrijving uit die beginperiode was het resultaat van twee met elkaar verwante ontwikkelingen: het opkomend historisch besef en het zoeken naar de nationale identiteit. Waar men in de zeventiende eeuw elkaar in de haren vloog over de vraag wie nu eigenlijk beter waren, de klassieken of de eigentijdse literatoren (de zogenoemde «querelle des anciens et des modernes»), een in feite onzinnige vraag, alleen mogelijk omdat men uitging van een absolute schoonheid die voor alle tijden en plaatsen gold, breekt in de achttiende eeuw overal het besef door dat de tijden nu eenmaal veranderen.
In Nederland zal het wonderkind Rijklof Michaël van Goens op zestienjarige leeftijd in zijn Vrijmoedige bedenkingen over de vergelijking der oude dichteren met de hedendaegschen (1765) nog eens de vloer aanvegen met dat soort onhistorische vergelijkingen. Bij de beoordeling van de literatuur uit het verleden zal men rekening dienen te houden met de contemporaine normen en geen bovenhistorische maatstaven dienen aan te leggen. En hoezeer nationalistische sentimenten van het begin af aan de literatuurgeschiedschrijving hebben gestuurd, valt af te lezen uit de collegedictaten van Siegenbeek, die op 26-jarige leeftijd gebombardeerd werd tot de eerste hoogleraar in de Nederlandse taal en welsprekendheid in Leiden.
Is het voor de Nederlander met enige culturele bagage niet stuitend dat hij «omtrent de vorderingen en onderscheiden lotgevallen der beschaafde letteren in zijn vaderland onkundig zij?», houdt hij de aanstaande predikanten en juristen voor. Dankzij kennis van het literaire verleden, aldus Siegenbeek, kreeg men argumenten in handen om de «lasterzieke vreemdeling» die de Nederlanders nu eenmaal het recht ontzeggen om «onder de kunsten kweekende natien gerangschikt te worden» de mond te snoeren. De hele negentiende eeuw en ook wel daarna zal men de literatuurgeschiedenis blijven aanbevelen als een geschikte hefboom om het nationaal gevoel op te krikken.
De schrijvers van literatuurgeschiedenissen zijn niet alleen de beheerders geweest, maar ook de scheppers van de literaire traditie. Merkwaardig is dat lange tijd de literatuurgeschiedenissen weliswaar hun ontstaan te danken hadden aan een vorm van historisch besef, maar dat de literatuurhistorici hun eigen positie in dat historisch besef niet problematiseerden. Men was van mening dat de normen die men aanlegde om de kwaliteit van een boek of genre vast te stellen objectief waren. Men wilde, om met Ranke te spreken, vaststellen «wie es eigentlich gewesen». Er was een naïef geloof in de mogelijkheid tot reconstructie van het literaire verleden en men meende dat men over het juiste instrumentarium beschikte om dat literaire verleden op zijn esthetische waarde te schatten. Men was dan ook zeer beslist in het uitspreken van waardeoordelen. Een paar voorbeelden.
De overgrootvader van de Nederlandse literatuur geschied schrijving, de «gewezen baggerman» Jacob van Dijk, noemde aan het einde van de achttiende eeuw de periode 1700-1850 letterlijk de «gouden eeuw» van de Nederlandse letterkunde op grond van de in zijn tijd zeer hoog gewaardeerde «taalzuiverheid» en «zoetvloeiendheid». Jeronimo de Vries, die zijn inzending op de breedsprakige prijsvraag «Welken zyn de vorderingen, welke is de veragtering der Nederduitsche dichtkunde, gedurende de achttiende eeuw? In vergelyking van vroegere tydperken?» met goud bekroond zag (1808/1809), wist op grond van zijn «intuïtie» en «gevoel» feilloos dat de gouden eeuw in de zeventiende eeuw gezocht moest worden en dat de Middeleeuwen, waarin «vadsige monniken in morsige holen» bivakkeerden, weliswaar het begin- maar tegelijkertijd ook het dieptepunt betekenden.
Met W.J.A. Jonckbloet (1817-1885) doet de academische literatuurgeschiedschrijving zijn intrede en die zal, met uitzondering van G. Knuvelder, het vak blijven beheersen. Jonckbloet, die vriend en vijand verraste met eerst een tweedelige en later een zesdelige literatuurgeschiedenis, rehabiliteerde die Middeleeuwen weer, maar sabelde de toneelschrijver Vondel neer op grond van absolute criteria die hij aan de eigentijdse Duitse esthetica ontleende.
Zijn tegenpool, Jan te Winkel die terecht te boek staat als de grand old man van de Nederlandse literatuurgeschiedschrijving, was de eerste die het literaire verleden niet te lijf ging met eigentijdse normen. Zijn belangrijkste werk, de zevendelige Ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde (tweede druk 1922-1927) gaf blijk van een verbijsterende volledigheid. Als naslagwerk is het nog altijd onovertroffen en als zodanig wordt het nog altijd geraadpleegd. Dat er in 1973 een fotomechanische herdruk van verscheen, spreekt boekdelen. Te Winkel had het allemaal zelf gelezen en opgeschreven vanuit een objectivistisch, louter historisch standpunt. Het uitspreken van esthetische oordelen werd door hem als onwetenschappelijk van de hand gewezen. De literatuurhistoricus moet een soort kameleon zijn en eigen esthetisch gevoel niet «onderschuiven aan dat van den dichter, dien hij bespreekt».
Als de literair-historicus geen esthetisch-kritische oordelen mag uitspreken, welk criterium rest de beschrijver dan nog? Voor Te Winkel is dat maar in beperkte mate een probleem. Hij neemt in zijn literatuurgeschiedenis zo waanzinnig veel op dat er van selectie nauwelijks meer sprake is. Maar hij heeft nog wel een paar maatstaven achter de hand: de betekenis die een literair werk heeft gehad voor de literaire evolutie is er één van, en voorts, en daarmee verwijst hij al enigszins naar de latere receptiehistorie, of een literair werk ook lang na zijn ontstaanstijd positief bij latere generaties werd onthaald.
De «laatste zelfkazer»van de literatuurgeschiedschrijving die het nog waagde het gehele literaire verleden in kaart te brengen was G. Knuvelder. Vanaf de eerste druk van diens Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde vanaf de vroegste tijden tot heden (1948) tot aan de vijfde (tussen 1970 en 1976) heeft Knuvelder voortdurend aan zijn handboek gesleuteld, getracht het aan te passen aan de nieuwste theoretische inzichten en gepoogd de meest recente ontdekkingen en interpretaties erin op te nemen. Decennialang hebben aankomende neerlandici door de bril van Knuvelder naar het literaire verleden gekeken, maar vanaf de jaren tachtig is het plotsklaps gedaan met zijn autoriteit. Als naslagwerk, leerboek en beeldvormer had Knuvelder afgedaan. Daar waren verschillende redenen voor: zijn handboek werd met elke nieuwe druk onoverzichtelijker, omdat in zijn streven recent onderzoek te verantwoorden Knuvelder de lezer geen goed geweven tapijt voorzette, maar een lappendeken, waarin elkaar vaak uitsluitende opvattingen naast elkaar werden gezet, met als dieptepunt het in de laatste druk tot 150 pagina’s uitgegroeide hoofd stuk over de Romantiek, waar geen touw meer aan vast te knopen was.
Het afserveren van Knuvelder had ook andere oorzaken. In de jaren zestig begon ook in Nederland de theoretische literatuurwetenschap aan haar opmars en drukte met haar strenge eisen aan wetenschappelijkheid de literatuurgeschiedschrijving in het verdomhoekje. De befaamde comparatist/theoreticus Rene Wellek, die zijn wetenschappelijke carrière begonnen was met het schrijven van een gedegen overzicht over de opkomst van de Engelse literatuurgeschiedschrijving: (The Rise of English Literary History, 1941) gaf in 1973 een pessimistisch getoonzet artikel de veelzeggende titel The Fall of Literary History mee. De godfather van de Duitse receptietheorie Hans Robert Jauss had al drie jaar eerder vastgesteld dat de literatuurgeschiedenis van een respectabele discipline allerwegen in diskrediet was geraakt, en smalend voegde hij eraan toe dat men tegenwoordig alleen nog maar literatuurgeschiedenissen aantreft op de boekenplank van de gecultiveerde burger om literaire quizzen op te lossen.
Het kan echter verkeren. In de afgelopen decennia is de oude matrone van de literatuurgeschiedenis weer opgekrabbeld en begonnen aan een tweede jeugd. Zo begon Ton Anbeek – die onlangs afscheid nam van de Leidse universiteit met een college getiteld «De jaren zestig en de Nederlandse literatuur of: is cultuurgeschiedenis mogelijk» – bij zijn aanvaarding van dat hoogleraarschap met een oratie onder de veelzeggende titel Over de wederopbouw van de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Acht jaar later kwam hij met het veel gebruikte handboek Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1885-1985. Geen complete literatuurgeschiedenis dus, «slechts» een periode van honderd jaar en tot ergernis van de collega’s uit het Zuiden slechts beperkt tot de Noord-Nederlandse literatuur. Die beperking is overigens begrijpelijk. De artikelen, monografieën, proefschriften, geconcentreerd rond werken, personen, genres en stromingen hebben zich in de laatste decennia opgestapeld. Nieuwe invalshoeken en benaderingen verdringen elkaar. Niemand is meer bij machte dat uitdijende heelal in zijn eentje te overzien, laat staan te beschrijven.
Curieus is dat enerzijds het begrip «literatuur» in de loop van de tijd opvallend is versmald: «Alle geschreven voortbrengselen», vanaf gedichten, romans en novellen tot aan «geschiedkundige, wetenschappelijke en wijsgeerige werken», zo formuleert de Geïllustreerde encyclopedie, nu Winkler Prins geheten, nog in 1877, terwijl men tegenwoordig de term veelal reserveert voor «taalspelen» en teksten met een esthetische functie. Aan de andere kant is het terrein van de literatuurgeschiedenis opmerkelijk verruimd door een opschuiving in de richting van de cultuurgeschiedenis: de literaire tekst heeft het niet langer alleen voor het zeggen. De gehele literaire infrastructuur is object geworden van vaak fascinerend onderzoek. De rol van de schrijver en niet te vergeten van de voordien vaak veronachtzaamde schrijfster, de betekenis van uitgevers en boekverkopers, de mediale rol van tijdschriften, de organisatie van het literaire leven in genootschappen en verenigingen en last but not least de aandacht voor de ideale en concrete historische lezer hebben de literatuurhistorie opgezadeld met een gigantisch onderzoeksterrein.
Illustratief voor die cultuurhistorische trend is een besluit uit 1999 van de toenmalige minister van Onderwijs Hermans om «ter vergroting van de inzichtelijkheid van de opleidingen in het hoger onderwijs in Nederland» voortaan aan alle universiteiten niet meer te spreken over «Nederlandse taal en letterkunde», maar over «Nederlandse taal en cultuur».

In de tijd dat de steeds breder wordende literatuurhistorie zich weer oprichtte, werd men zich tegelijkertijd steeds pijnlijker bewust welke voetangels en klemmen de literatuurhistoricus bedreigden. Het naïeve standpunt dat de literatuurhistoricus zelf buiten schot bleef en het literaire leven kon reconstrueren heeft men verlaten en men is er zich scherp van bewust geworden dat elk oordeel gestuurd wordt vanuit een bepaalde visie of theorie, die selectieve en begripsmatig gestructureerde waarnemingen produceert. Feiten, ook literaire, zijn geïnterpreteerde feiten, berustend op die selectieve waarnemingen. Het verleden kan kortom niet gereconstrueerd, maar slechts geconstrueerd worden. Als in de jaren tachtig de literatuurhistorie weer opkrabbelt en er gedacht wordt aan een «nieuwe Knuvelder» is men zich er terdege van bewust hoe problematisch het schrijven van een literatuurgeschiedenis geworden is. Zo schreef de Vlaamse comparatist/theoreticus Van Gorp een even principieel als ontmoedigend artikel met de veelzeggende titel De utopie van een omvattende literatuurgeschiedschrijving. Of hoe het zou moeten en toch echt niet kan (1985), terwijl drie jaar later de Amsterdamse hoogleraar Grootes alle pijnpunten van de literatuurgeschiedschrijving nog eens duidelijk maakte in De paradoxen van de literatuurgeschiedschrijving.
«Literatuurgeschiedenis: terug van weggeweest», schreef de Vlaamse hoogleraar A.M. Musschoot nu bijna tien jaar geleden. En dat lijkt niet overdreven. Een opgewekt bewijs daarvan vormde in 1993 de verschijning van een ruim negenhonderd pagina’s groot overzichtswerk Nederlandse literatuur, een geschiedenis onder hoofdredactie van M.A. Schenkeveld-van der Dussen en acht perioderedacteuren. Een even frivool als leesbaar boek. Frivool, omdat hier geen doorlopend chronologisch verhaal werd verteld, maar van de hak op de tak werd gesprongen: men prikte 150 jaartallen rond een literaire gebeurtenis en schreef daarover. Leesbaar, omdat het resulteerde in even zovele korte, puntige essays, geschreven door rond de honderd vakgenoten, vertrouwd met het onderwerp. Het werd een caleidoscopisch boek met aandacht voor veel nieuwe aspecten van het literair-historisch bedrijf. Het werd een verkoopsucces. Zelfs de vaak zo knorrige Hugo Brandt Corstius was laaiend enthousiast. De vakpers oordeelde zuiniger. Wat men vooral miste was een rode draad en continuïteit in dit in hun ogen al te verbrokkelde en te fragmentarische geschiedverhaal dat eigenlijk geen geschiedenis mocht heten. Hoe dan ook, het was en is een aanstekelijk boek dat tegelijkertijd deed verlangen naar een nieuw handboek dat wél de continuïteit recht deed.
Dat men de watervrees overwon bleek op 17 januari 1997: op de groene bankjes van de vergaderzaal van de Eerste Kamer verzamelden zich rond de honderd neerlandici uit Noord en Zuid om te spreken over de vraag of het mogelijk zou zijn een nieuwe literatuur geschiedenis te schrijven. Of het kwam door de ambiance van het gebouw of door de gebakjes die in de pauze werden geserveerd, de sfeer die dag was blijmoedig en euforisch. Men sloot een Veelstemmig Akkoord: onder auspiciën van de Nederlandse Taalunie zou men verder denken over de realisering van een nieuw handboek.
Er zouden nog vele vergaderingen volgen. Schrikbeeld vormde voor iedereen de in 1939 gestarte en nog altijd niet voltooide Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden onder hoofdredactie van de Vlaming F. Baur, uitbesteed aan diverse auteurs met wie van tevoren nauwelijks afspraken waren gemaakt over opzet, aanpak en taakverdeling. Vooral in het deel over de Renaissance, verkaveld over acht auteurs, brokkelig, vol overlappingen en interne tegenspraak, wreekte zich het aantrekken van meerdere auteurs.
Bevreesd voor een nieuw echec werd gekozen voor een breed opgetuigde organisatiestructuur: een tweekoppige hoofdredactie kreeg de eindverantwoordelijkheid; een redactiecommissie van 26 neerlandici, specialisten in vier onderscheiden tijdvakken (Middel eeuwen, Renaissance, achttiende en negentiende eeuw en de moderne tijd) had de taak negen auteurs bij hun schrijfwerk bij de les te houden.
In plenaire vergaderingen werden de uitgangspunten vastgesteld en verder aangescherpt: de nieuwe literatuurgeschiedenis zou zowel de Noord- als Zuid-Nederlandse literatuur moeten behandelen. De literatuurgeschiedenis zou zich voorts dienen te richten op zowel vakgenoten als geïnteresseerde leken door het verschaffen van een smakelijk opgedist, niet al te zwaar wetenschappelijk verhaal zonder voetnoten. Zeven delen van elk rond de vijfhonderd pagina’s zou het nieuwe handboek moeten gaan omvatten, afgesloten met een achtste deel, met een uitleiding en verantwoording van de hoofdredactie en een cumulatief register.
Men werd het eens over een functionalistische aanpak: centraal zou de literatuur zelf moeten staan, maar met aandacht voor de wisselwerking tussen de literaire werken en de context, waaronder ook het contemporaine literaire normensysteem. Men werd het ook snel eens over welke literaire werken in ieder geval zouden moeten worden opgenomen: literaire werken die sinds jaar en dag als waardevol worden beschouwd, de zogenaamde canon, zij het dat die canon niet klakkeloos zou moeten worden overgenomen maar geproblematiseerd en gehistoriseerd. Ook de «achterkant» van die canon, dat wil zeggen werken die in de loop van de tijd uit het literaire geheugen zijn weggegleden maar in een bepaalde historische periode hogelijk werden gewaardeerd, zouden belicht moeten worden.

De beoogde problematisering van de canon in de nieuwe literatuurgeschiedenis is begrijpelijk tegen de achtergrond van de huidige discussie over de canon. De zogenaamde canon en ook het begrip zelf staan immers onder druk. Lange tijd waren het bij uitstek de schrijvers van literatuurgeschiedenissen die met gezag een canon aanreikten, die vervolgens moeiteloos werd doorgesluisd naar de schoolboeken, aangezien tot het einde van de negentiende eeuw het moedertaalonderwijs strikt historisch van opzet was. Ook de school edities en literaire reeksen met oudere teksten speelden daarop in.
Die situatie is nu totaal veranderd. De oudere literatuur vormt niet langer een substantieel onderdeel van het onderwijs. Sterker, het onderwijs in de literatuurgeschiedenis is op de middelbare scholen vrijwel weggevaagd en met het uitbrengen van historische teksten is nauwelijks meer brood te verdienen. Het voorschrijven van klassieke teksten wordt als elitair of ondoenlijk beschouwd, getuige de reacties op de vijftig werken omvattende leeslijst die drie Amsterdamse hoogleraren in maart van dit jaar in NRC Handelsblad publiceerden: de voorgestelde werken zouden te dik zijn en vooral te oud om de jeugd nog te kunnen boeien. Maarten Doorman hield in zijn inaugurele rede Kiekertak en Klotterbooke: Gedachten over de canon (2004) weliswaar een pleidooi voor een open canon en stelde optimistisch dat het aan de huidige critici is om die canon vast te stellen. Dat lijkt niet onmogelijk, maar het betekent weinig goeds voor de oudere literatuur. Immers, welke criticus schenkt tegenwoordig nog aandacht aan heruitgaven van werken die voor 2000 zijn verschenen?
Cyrille Offermans stond in NRC Handelsblad (10 september) in een bijdrage onder de kop Een literaire canon is niet van deze tijd, we kun nen ons beter druk maken over de leescultuur zeer afwijzend tegenover de pogingen een nieuwe canon te vestigen. Niemand, aldus Offermans, is nog in de positie om voor te schrijven wat er gelezen moet worden. Alleen als de scholen weer alles op alles zetten om zoiets als een leescultuur in het leven te roepen, kan het tij ooit nog gekeerd worden. Het invoeren en opleggen van een canon is ridicuul, «zolang daar boeken op staan waarvan een groot deel van de literatuurdocenten nog nooit gehoord heeft». Sombere taal, maar helaas al te waar.

Terug naar de nieuwe literatuurgeschiedenis. Zoals gezegd was er vroeger een harmonieuze relatie tussen een verschuivende canon binnen de literatuurgeschiedenissen en de schoolboeken. Of de nieuwe literatuurgeschiedenis ook canoniserend zal gaan werken is, gezien de minieme belangstelling voor het literaire verleden, maar zeer de vraag. Er is al veel gewonnen wanneer de beloofde aandacht voor de contemporaine appreciatie van de literatuur ertoe leidt dat de achterzijde van de canon meer begrip en mogelijk herwaardering ten gevolg zal hebben.
Negen auteurs in plaats van één. Dat vraagt om overleg en onderlinge afstemming. Enigszins lacherig muntte men voor overgangen en gelijktijdigheden de termen «zwaluwstaarten» en «ritsen». Maar gelukkig werden de auteurs niet in één mal geduwd. Er is ruimte voor een aanpak die de eigen periode recht doet. Elke eeuw kent zo zijn eigen cesuren en periodisering. In het ene geval, zoals in de moderne tijd, wordt gewerkt met dwarsdoorsneden van telkens tien jaar, anderen hebben gekozen voor een onderverdeling van hun periode in drie of vier tijdvakken. En bovendien, zelfs schrijvers van een literatuurgeschiedenis hebben een eigen temperament en stijl die zal doorklinken in de onderscheiden delen.
Niets is zo vergankelijk als een literatuurgeschiedenis. Dat heeft de geschiedenis van de literatuurgeschiedschrijving wel geleerd. De komende literatuurgeschiedenis, die naar het zich laat aanzien uitein delijk geen acht, maar negen en wellicht zelfs tien delen zal omvatten, kan volgens een voorzichtige schatting ongeveer dertig jaar repertoire houden om vervolgens te worden afgelost door een andere visie op het literaire verleden door een nieuwe generatie literatuurhistorici.
Ten slotte: de publicatie van dit nieuwe handboek heeft langer op zich laten wachten dan aanvankelijk optimistisch was voorzien. In eerste instantie mikte men op het jaar 2002, waarin de eerste twee delen hadden moeten verschijnen. Dat bleek om allerlei redenen niet haalbaar. Nu zullen de eerste twee delen, over de Middeleeuwen en de periode 1945-heden, gepresenteerd worden tijdens de boekenweek van 2006, zoals men kan lezen in de najaarscatalogus van uitgeverij Prometheus. Elk jaar volgen dan twee andere delen. De laatste zijn voorzien voor 2010.
Al met al is hier sprake van een prestigieus project, waarbij een grote groep neerlandici uit Noord en Zuid betrokken is. Het is te hopen en ook wel te verwachten dat dit handboek niet alleen maar geraadpleegd zal worden om literaire quizzen op te lossen. * Willem van den Berg is emeritus hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde