KUNST: Vrouwen voor het voetlicht

Liturgisch bloemschikken

Ik ben vrouw noch gelovige, en de activiteiten van vrouwen in de georganiseerde religies van vandaag bezie ik van een afstand, en met verbazing.

Zo zijn er in de tentoonstelling Vrouwen voor het voetlicht kleine filmportretten te zien van vrouwen die in hun kerk actief zijn. In een daarvan zegt een oudere katholieke dame dat zij alle liturgische gewaden van haar kerk wast, strijkt, stijft, poetst et cetera, en dat het haar met groot genoegen vervult als zij constateert, tijdens de mis, dat ‘alles er netjes uitziet’. Een tweede dame beoefent in haar gereformeerde kerk te Woerden het ‘liturgisch bloemschikken’: zij levert bloemstukken voor de zondagse dienst en zij maakt daarvan composities vol symboliek en iconografie, aangepast aan de preek van de week. Er hangen ook foto’s van vrouwelijke predikanten, en dat zijn er best wat, maar ook weer niet veel, en ze bedienen vooral zeer kleine gemeenschappen als de doopsgezinden en de remonstranten.

Hier ligt de opdracht van de tentoonstelling: zichtbaar maken dat vrouwen een rol speelden en spelen in de geschiedenis van het christendom in Nederland. De volgorde volgt de geschiedenis: eerst een peloton middeleeuwse heiligen, internationale als Catharina en Barbara, en meer lokale als Cunera en Lidwina, dan de Reformatie, waarin veel krachtige protestantse vrouwen het leven laten. Er is aandacht voor de significante (maar vaak veronachtzaamde) positie van rooms-katholieken in de zeventiende eeuw. In de achttiende en negentiende eeuw komen vrouwen ook op eigen intellectuele merites naar voren, met als bekroning, in 1911, de benoeming van de eerste vrouwelijke predikante. Daarbij is ook aandacht voor de dagelijkse werkelijkheid, de biedermeiercontext van vrouwen als de dienstbare ‘engelen in huis’. Er zijn opmerkelijke stukken te zien. De arme St. Cunera zou in de vierde eeuw te Rhenen zijn gewurgd met haar sjaal, en er ligt een doek uit die eeuw afkomstig uit Rhenen die, naar verluidt, ‘koptisch’ is, en dus dé sjaal zou kunnen zijn.

De samenstellers presenteren deze vrouwen als ‘gepassioneerd, krachtig en inspirerend’ en zij benoemen hun religieuze activiteit steevast als ‘keuze’. De heilige Lidwina, bijvoorbeeld, viel op het ijs, brak een rib en lag vervolgens 34 jaar onafgebroken te lijden in een bed in Schiedam. Haar hagiografen vermeldden dat zij dat wilde: zij had gehoopt op een ongeluk, zodat haar het huwelijk bespaard zou blijven en zij haar leven aan God zou kunnen wijden. Evenzo wordt gezegd dat vrouwen die in klooster- of begijnengemeenschappen gingen leven, kozen voor een leven van rust en contemplatie, waarbinnen ze zich ‘cultureel, intellectueel en maatschappelijk’ konden ontwikkelen. Die opvatting lijkt me zeer discutabel. Het gaat eraan voorbij dat vrouwen in de kerken en daarbuiten tot ver in de zeventiende eeuw in een soort Taliban-achtige situatie verkeerden, waarbij lijden werd vergoelijkt en gepropageerd. Tussen het huwelijk en het bordeel was het klooster het enige alternatief. Miljoenen vrouwen werden daartoe veroordeeld. De ‘inspirerende’ vrouwen, de Hadewychs en de Hildegards von Bingen, zijn helaas de grote uitzonderingen in een geschiedenis die zeer donker is. Ik ben vrouw noch gelovige, maar voor het accepteren van het blijmoedige betoog dat vrouwen in de kerk altijd ‘meetelden’ heb je flinke oogkleppen nodig. Tenzij je natuurlijk vindt dat ‘liturgisch bloemschikken’ een waardig resultaat is van tweeduizend jaar christelijke toewijding.


Vrouwen voor het voetlicht: Zusters, martelaressen, poetsengelen & dominees, Catharijneconvent, Utrecht, t/m 24 juni