Llosa’s illusie

Mario Vargas Llosa, Een manier om ongeluk te bestrijden. Vertaald door M. Dijkstra, Meulenhoff, 224 blz., f39,90; Maarten Steenmeijer, Mythenbouwers van de Nieuwe Wereld. Wereldbibliotheek, 192 blz., f34,50.
Met Latijns Amerika als thema van de komende boekenweek hebben uitgevers van alles in de aanbieding - herdrukken, pockets en halve prijzen - maar nieuw werk van belang zit er geloof ik niet veel bij. Een uitstekende leeshulp bij wat er aan belangrijke auteurs bestaat, is Mythenbouwers van de Nieuwe Wereld van Maarten Steenmeijer, die stukken bundelde over Garcia Marquez, Borges, Arlt, Onetti, Sabato, Cortazar, Rulfo, Fuentes, Ibarguengoitia, Del Paso, Paz en Vargas Llosa. Ook als hij een nieuw boek bespreekt, plaatst Steenmeijer dat binnen een oeuvre, zoals hij ook dank zij een brede kennis in staat is auteurs met elkaar te vergelijken.

Een gelukkig toeval wil dat je zijn boek naast een ander boek kunt lezen, een ‘literaire autobiografie’ van Vargas Llosa, een reeks lezingen die de Peruaanse schrijver een jaar of vijf geleden als gastdocent in de Verenigde Staten hield; oorspronkelijk in het Engels, vandaar de titel A Writer’s Reality/ La verdad de las mentiras. Waarom die leugen uit de titel het veld moest ruimen voor de titel Een manier om ongeluk te bestrijden, is mij ook na lezing niet duidelijk; het zal wel uit bangigheid zijn geweest dat de boekhandelaar het boek voor een essay aanziet en daarom maar meteen in de betreffende vergeethoek wegzet.
Het is typerend voor Llosa dat hij begint met een verhaal over Borges, die ooit een ontdekking voor hem was, vooral in contrast met de geengageerde literatuur van de toen maatgevende Sartre, maar met wie hij niet veel gemeen heeft. Net als Steenmeijer erkent hij Borges’ verdiensten voor de Zuidamerikaanse literatuur, om meteen zijn eigen plaats te kunnen profileren. Net als Cervantes is Llosa niet vies van ideeen, maar hij wil ze wel van vlees en bloed, verbonden met levende ervaring.
In het volgende stuk neemt Llosa de geschiedenis van Latijns Amerika door ter verklaring van het aloude geloof in fictie en de zucht naar leugens (een wat misleidend woord voor illusies). De inquisitie hield de invoer van romans tegen zodat kronieken aan de behoefte aan illusie moest voldoen; het zou drie eeuwen duren voordat de roman wraak kon nemen, en nog steeds dient de historische roman om gaten in het collectieve geheugen te vullen. Ook Steenmeijer schrijft over de ontstaansgeschiedenis, over de historische romans (van Marquez) en de invloed van Faulkner. Daarop geeft Llosa weer een interessante aanvulling, te meer daar hij er uit de eerste hand over schrijft, ter illustratie ook van zijn stelling dat al zijn werk teruggaat op wat hij zelf heeft meegemaakt, zij het - en dat is belangrijk - altijd pas als hij in ruimte of tijd afstand heeft kunnen nemen. Zo vertelt hij de voorgeschiedenis van een zestal romans. Hoe hij bij het schrijven van De stad en de honden zijn eigen methode en een paar elementaire literaire wetten ontdekte en de invloed van Sartre te boven kwam, en in zijn tweede boek, Het groene huis, zich metend met Faulkner, het onderscheid tussen literaire en zogenaamd objectieve waarheid leerde kennen. Dat wordt zijn eigenlijke thema: de menselijke behoefte aan fictie en het verband tussen literaire en ideologische fictie, waarbij het juist om het verschil gaat.
Overtuigend vind ik zijn verweer tegen een al te enge politieke lectuur van De geschiedenis van Alejandro Mayta, een roman uit 1984. Steenmeijer zegt in zijn slotopstel dat de roman wel degelijk een politiek thema heeft. Maar dat ontkent Llosa niet; hem ging het alleen om meer. Toen hij in 1962 van een opstand in Peru hoorde, leek hem dat een wonder en dacht hij eraan het voorval in een politieke avonturenroman te gebruiken; toen hij meer dan twintig jaar later inderdaad aan een roman begon, was hij inmiddels vooral geinteresseerd in de desastreuze effecten van ideologische fictie. Tegen die fictie brengt Llosa zijn literaire fictie in het geweer, en uiteraard is ook dat politiek.