Lockdown

Het lichaam is een efficiënte plek. Dat van mij had deze week zoveel te stellen met het bevechten van een griepvirus dat het alle andere functies tijdelijk on hold zette. Nadenken kon ik nauwelijks meer, laat staan een boek lezen. Mijn hoofd was in lockdown.

Ik droomde over gesmolten geweren, afgehakte benen in bomen en David Bowie die als een zwarte engel was weergekeerd op aarde. Het rondvliegend puin van de wereld kwam in losse en onsamenhangende scherven mijn bewustzijn binnen gevlogen. Op de radio hoorde ik iemand zeggen: ‘Ik hoop dat er voetbalvelden in de hemel zijn.’ Ik vroeg me af of mensen zulke dingen echt hoopten, voetbalvelden in de hemel – of maagden, for that matter. De krant las ik in heel kleine stukjes op mijn iPhone. Mijn ogen bleven haken aan het woord ‘verbindingsofficier’. Ik zag een kantoortje voor me aan de Turks-Syrische grens, met daarin een tinnen soldaatje in een olijk rood-blauw uniform met gouden stiksels. Het soldaatje staarde naar een groot bedieningspaneel dat onrustig oplichtte, maar het was te ingewikkeld, en bovendien, dacht het soldaatje, zou het vanzelf wel weer overgaan, zo gingen die dingen.

Via Netflix keek ik een mooie documentaire van en over een jonge Britse vrouw die een beroerte had gehad, wakker werd in het ziekenhuis en erachter kwam dat ze geen woord meer kon uitbrengen. Toen na een paar dagen een deel van haar spraakvermogen was teruggekeerd, besloot ze haar herstel vast te leggen op camera. Ze bleek niet meer te kunnen lezen. De route in haar hersenen, zo legde een arts haar uit, was geblokkeerd geraakt. En niet alleen haar taal was aangetast, heel haar ervaring van de wereld was onherkenbaar veranderd.

Zoekend naar de juiste woorden probeert ze uit te leggen wat ze ervaart. Ze heeft geen besef van tijd meer. Ruimte is een heel ander concept geworden. Kleuren en geluiden zijn extreem intens, de rechterkant van haar zicht bestaat uit vlekken. Haar brein is vergeten hoe het zichzelf moet uitschakelen, zodat woordeloze gedachten en beelden onophoudelijk over elkaar heen tuimelen tot ze dodelijk vermoeid in slaap valt. Een arts vraagt haar haar schouders aan te wijzen, maar ze weet niet wat schouders zijn en ze barst in tranen uit.

In een revalidatiecentrum probeert ze opnieuw te leren lezen. Ze heeft een interview met David Lynch uit een tijdschrift gescheurd. Woord voor woord leest ze wat Lynch zegt over de deur naar een ander bewustzijnsniveau, en eindelijk heeft ze een aanknopingspunt gevonden voor haar eigen toestand. Ze begint Lynch videoboodschappen te sturen. Vertelt hem dat ze zich sinds haar beroerte voelt als Dale Cooper in de ‘Black Lodge’.

Ideaal leesvoer bij griep: Lynch die vertelt hoe geweldig de textuur is van rottende dierenlichamen

In mijn boekenkast bewaar ik al jaren een eigenaardig boekje van David Lynch, getiteld Catching the Big Fish: Meditation, Consciousness, and Creativity. Het is een wonderlijke mengeling van autobiografie en zelfhulpboek. Als een zendeling vertelt Lynch over zijn kennismaking, in 1973, met Transcendente Meditatie die hem tot ongekende diepten van het bewustzijn heeft gebracht – daar waar de grote vissen zwemmen. In simpele zinnen en korte, instructieve hoofdstukjes brengt hij het evangelie van meditatie, intuïtie en de eenheid van alles.

Het bleek ideaal leesmateriaal voor mijn koortsige brein, vooral omdat het boekje grotendeels bestaat uit regelafstand en witte pagina’s. Lynch’s enthousiasme over alles is bovendien even oprecht als ongeremd. ‘I don’t necessarily love rotting bodies,’ begint bijvoorbeeld een hoofdstukje genaamd ‘Texture’, ‘but there’s a texture to a rotting body that is unbelievable.’ En dan gaat hij verder over hoe geweldig de textuur van een rottend dierenlichaam is, en ook die van koffie en kersentaart, als je maar genoeg inzoomt. Het leuke is dat Lynch zonder met zijn ogen te knipperen zijn eigen, zeer particuliere, ervaring verheft tot een universeel geldend principe. Hij lijkt er werkelijk niet bij stil te staan dat de meeste geesten niet zijn gemaakt om tot grootse kunst te komen.

Aan het einde van de documentaire ontmoeten de vrouw en David Lynch elkaar. Hij zegt gecharmeerd te zijn van haar videoboodschappen. Ze omhelzen elkaar een tijdje, hun beider blijdschap met de ontmoeting is ontroerend om te zien. Ik moet huilen, zoals ik ook elke keer moet huilen wanneer mijn geliefde na zijn werk komt aanzetten met fruit en bakjes yoghurt.

Liggend op de bank luister ik naar David Bowie’s Blackstar. Het titelnummer begint als een donker voorteken van iets. Na vier minuten lost het op in een spookachtig gehuil, om daarna als een totaal ander, veel lichtvoetiger lied weer te voorschijn te komen. Ik kan honderd keer naar die overgang luisteren, en telkens ben ik weer opgelucht dat het gebeurt. Dat het elke keer toch weer lente wordt.