STADSHERSTELLER

LODEWIJK DE STADSHERSTELLER

Na de Leidse buskruitramp van januari 1807 betoonde Lodewijk Napoleon zich uiterst betrokken bij het leed van zijn nieuwe volk. Hij stak persoonlijk de handen uit de mouwen. Zijn goede werken waren een voorbeeld van een heus pr-offensief, dat door het huidige koninklijk huis getrouw wordt nagevolgd.

Op 12 januari 1807 om kwart over vier ontploft met een enorme klap een buskruitschip dat midden in het centrum van Leiden ligt afgemeerd. De explosie is zo hevig dat toevallige passanten letterlijk uit hun kleren worden geblazen. Er vallen meer dan 160 doden en tweeduizend gewonden; meer dan tweehonderd huizen worden weggevaagd. Het anker van het schip wordt negenhonderd meter verder, net buiten de stad, teruggevonden.

Lodewijk Napoleon hoort de dreun in Den Haag. Binnen vijf uur is hij ter plaatse. Op dat moment woeden er nog branden en wordt er nog koortsachtig naar overlevenden gezocht. De koning aarzelt geen moment en gaat zelf aan de slag. De Leydse Courant meldt later bewonderend dat hij ‘in eigen Persoon niet alleen poogingen ter redding aanmoedigde, met toezegging van aanzienlyke belooningen, maar ook zonder eenig gevaar te ontzien op de onverschrokkendste wyze zelfs yverig meewerkte’. Niet alleen coördineert Lodewijk het reddingswerk, hij laat ook gewonden en daklozen in Huis ten Bosch onderbrengen.

Dit daadkrachtige optreden maakt indruk op de aanvankelijk zo wantrouwige Nederlanders. Onder de logés op Huis ten Bosch is de zeventigjarige Leidse dichter Johannes Le Francq van Berkheij, die door de ramp dakloos is geraakt. Dat hij een fel aanhanger van de Oranjes is, weerhoudt hem er niet van om onder een portret van Lodewijk te schrijven: ‘Ziet het toonbeeld van Menslievendheid’. Le Francq is niet de enige dichter die geïnspireerd raakt door Lodewijk en de buskruitramp. In allerlei treurdichten, bedoeld om geld op te halen voor de overlevenden, wordt de hulp van de koning verheerlijkt. Willem Bilderdijk, Lodewijks privé-docent, tevens dakloos door de ramp, wijdt er het hysterische gedicht Leyden in verwoesting aan: ‘Gerechte God! wat schrikvertooning!/ Bestelpt; verplet! verstikt in ’t bloed!’/ …/ Ach! zwangren ’t lichaam opgereten/ En vruchtjens in den schoot vernield!’

In Bilderdijks zang is het een engel Gods die de koning naar Leiden brengt:

[…] Zijn reddende Engel daalt!
Zie, zie hem, ô wanhopig Leyden,
Uw’ Koning by de hand geleiden;

Uw’ Koning, van Zijn’ glans omstraald!

ô Lodewijk, gy koomt – en treuren……?
Neen dit verbiedt uw edel hart.

[…]

Ja, red ons, red met eigen handen!
Hergeef ons onze waardste panden!
Dit steengruis zij uw gloriestoel!

Ook schilders en tekenaars gaan snel aan het werk. Om kranten in heel Europa van beeldmateriaal te voorzien, mogen diverse tekenaars het rampgebied in. Ook worden er treurprenten gedrukt die als souvenirs worden verkocht aan de ramptoeristen en waarvan de opbrengst naar de slachtoffers gaat. Veel tekeningen en prenten idealiseren de aanwezigheid van Lodewijk en geven zo aan hoeveel indruk zijn bezoek aan Leiden maakt. Hij is steevast het kalme en heldhaftige middelpunt, te midden van geschrokken en treurende Leidenaren en smeulende puinhopen. Op de prent van Jan Willem Pieneman staat hij daadkrachtig op de kade, zijn handen kalmerend gespreid. Door de fakkel die boven zijn hoofd wordt gehouden lijkt hij een hoopvol licht uit te stralen.

De campagne had succes. Op een schoolprent uit 1865, toch al zo’n 55 jaar na zijn gedwongen terugkeer naar Frankrijk, wordt hij nog altijd heldhaftig afgebeeld met het onderschrift: ‘Ziet Koning Lodewijk op gindsche puinhoop staan, Met ijver moedigt hij daar elk tot bijstand aan.’