Loe de jong

In De Groene van 11 augustus beweert Jos Palm dat ik als directeur van het Niod de ‘geestelijk vader’ ben van het plan om in plaats van een ‘echte biografie van L. de Jong’ een ‘instituutsgeschiedenis met een snufje De Jong om het verteerbaar te maken’ te laten schrijven. Ik zou ook alvast met de ‘geldbuidel van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen’ zwaaien. Dat is allemaal onjuist. Ik heb met deze biografie-plannen niets te maken (gehad). Ik heb mij er ook nooit in het openbaar over geuit. Op diens verzoek heb ik er een gesprek over gehad met Geert van der Meulen van de SDU. In dat gesprek heb ik gezegd dat deze keuze niet aan mij is en dat ik mij er, desgevraagd, juist uitdrukkelijk neutraal in op zal stellen. Ik heb daaraan toegevoegd dat het mij, om alle schijn van beïnvloeding te voorkomen, beter lijkt dat het instituut geheel buiten deze opdracht blijft, en dat ik daarom ook tegenstander ben van (mede)financiering door het instituut. Wel zal het instituut uiteraard alle medewerking geven en alle documentatie, ook de vertrouwelijke, beschikbaar stellen mits de vertrouwelijkheidsverklaring wordt getekend.

Zoals Palm heel goed kan weten heeft deze geen betrekking op ‘politiek (…) gevoelig liggende informatie’, maar op de, ook in wetgeving vastliggende en dus voor alle archieven geldende, bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen die niet al publiekelijk bekend zijn. De afweging tussen het algemeen belang van openbaarheid en het particulier belang van privacybescherming is bij de rechter toetsbaar. Men zou zich kunnen afvragen waar Palm zich eigenlijk op baseert en waarom hij zijn informatie niet controleert, bijvoorbeeld bij mij, als hij mij meningen en activiteiten toeschrijft. Ging het onlangs niet om hoor en wederhoor? Over bronnen gesproken, zou Martin van Amerongen mij kunnen zeggen waar hij het citaat heeft gevonden dat hij mij in zijn commentaar in ditzelfde nummer in de pen legt? Ik kan mij niet herinneren dat ooit geschreven te hebben, kon ook nergens vinden waar ik zei of publiceerde dat velen zich in het begin van de oorlog in de 'morele grijszone’ bewogen. Erg waarschijnlijk is het ook niet dat ik zoiets schreef, omdat ik als historicus meestal niet het morele perspectief kies. Maar Van Amerongen heeft zich vast goed gedocumenteerd. Vandaar mijn verzoek.