Onvoorspelbaar historicus

Loe de Jong en De Groene Amsterdammer

«Wanneer dr. L. de Jong in het openbaar het woord neemt krijg je, als eenvoudig staatsburger, zo’n beetje het gevoel of een wezen van een hoger orde zich tot je richt. Men kan zich trouwens moeilijk aan de indruk onttrekken dat De Jong zélf ook dat gevoel heeft.» Dit schreef Wouter Gortzak in De Groene Amsterdammer van 14 november 1973. Aanleiding was de wijze waarop De Jong publiekelijk kritiek had geleverd op de Midden-Oostenpolitiek van de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, zijn partijgenoot Max van der Stoel. Niet dat het kabinet-Den Uyl zich ineens tegen Israël had gekeerd, maar Van der Stoels pogingen om een ietwat minder kritiekloze houding aan te nemen waren De Jong kennelijk in het verkeerde keelgat geschoten, zodat hij volgens Gortzak «met volstrekte vanzelfsprekendheid <…> zijn stellige kwalificaties en morele oordelen uitgoot over het hoofd van de zo langzamerhand beklagenswaardige minister van Buitenlandse Zaken».

Het zou niet de laatste keer zijn dat iemand zich ergerde aan de zelfverzekerde toon waarmee De Jong oordeelde over de daden en opvattingen van anderen. In dit geval ging het dan wel niet om het onderwerp waaraan De Jong zijn status als «nationaal geweten» en politiek orakel te danken had, de Tweede Wereldoorlog, maar om een verschijnsel dat daar wel direct uit voortgevloeid was: de staat Israël. In de jaren zestig was in linkse kringen de kritiek op Israël en op de Israëlische politiek jegens de Palestijnen sterk toegenomen. Gortzak had in mei 1967 in De Groene de staat Israël zelfs «een onding» genoemd, wat ertoe leidde dat nogal wat abonnees en economisch medewerker Arnold Heertje het blad de rug toekeerden. Ook Loe de Jong zal de visie van Gortzak hebben afgewezen, als hij in die jaren het blad al heeft ingekeken. In een interview met het Algemeen Handelsblad uit februari 1969 antwoordde hij namelijk op de vraag of hij De Groene nog wel eens las: «Nooit. Een abject blad. Ik ben er een fervent tegenstander van.»

De aversie was dus wederzijds, en dat had niet alleen betrekking op de houding ten opzichte van Israël. Tussen Loe de Jong en «links» boterde het in die jaren niet erg. In Vrij Nederland, waarvoor De Jong na de oorlog decennialang wekelijks een buitenlandcommentaar had geschreven, werd hij als historicus hinderlijk gevolgd door Jan Rogier. En na het verschijnen van deel 1 en 2 had Ger Harmsen in De Groene al de staf gebroken over het wetenschappelijk gehalte van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Ook beschuldigde hij De Jong ervan dat hij als «verblinde Koude-Oorlogsideoloog» een volstrekt vertekende kijk op het recente verleden had. De Jong was immers een felle anticommunist en overtuigd «Atlanticus», die onvermoeibaar het Amerikaanse optreden in Vietnam verdedigde. Hij mocht dan PvdA-lid zijn, in de ogen van velen was De Jong walgelijk «rechts».

En dat terwijl hij ooit links was geweest, marxist zelfs, wat in de jaren zestig en zeventig bepaald als aanbeveling gold. Niet alleen was hij een leerling geweest van de marxistische econoom Sam de Wolff en had hij in 1938 een brochure met als titel Hedendaags marxisme geschreven, ook was hij eind jaren dertig redacteur van het vooruitstrevende en antifascistische weekblad De Groene Amsterdammer geweest. Hij was eigenlijk een renegaat, iemand die zijn linkse idealen had verloochend en zelfs tot het vermaledijde «establishment» was gaan behoren. Bovendien citeerden tegenstanders graag zijn Groene-artikel van 2 september 1939 – een dag na de Duitse inval in Polen – waarin hij had geschreven dat «de tweede wereldoorlog voor langen tijd, waarschijnlijk voor jaren, is afgewend». Een pedante, rechtse onbenul dus, het kon bijna niet erger. Maar was dat beeld wel helemaal correct?

Toen Loe de Jong op 1 februari 1938 aantrad als redacteur van De Groene moest hij nog 24 worden. Enkele maanden daarvoor was hij cum laude afgestudeerd als historicus, gespecialiseerd in de toen nog vrij nieuwe discipline sociale geschiedenis. Hij wilde graag aan het werk op het in 1935 door zijn hoogleraar N.W. Posthumus opgerichte Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, maar wegens geldgebrek was daar op dat moment geen vacature. Ook een poging fractiemedewerker van de SDAP te worden liep op niets uit.

In januari 1938 was de literatuurcriticus Victor van Vriesland eindredacteur van De Groene geworden. Deze even luie als pretentieuze literator, die al na enkele maanden de laan werd uitgestuurd, was verbijsterd over het feit dat hij ineens hard moest werken en had geëist dat hij een assistent zou krijgen. Hiervoor had hij zijn oog laten vallen op Anton Koolhaas, die evenals hijzelf aan de NRC verbonden was, maar Groene-directeur Theo Moussault wist een andere kandidaat: Loe de Jong. Deze was twee jaar jonger dan Koolhaas, had geen enkele werkervaring en was dus goedkoper. Nadat De Jong een proefartikel had geschreven, over zalmvisserij op de Rijn, ging Van Vriesland akkoord met zijn benoeming tot redacteur.

Omdat Van Vriesland snel weer vertrok was De Jong elke week verantwoordelijk voor het vol krijgen van zo’n vier pagina’s. Naast het schrijven van reportages en allerlei verstrooiende artikelen was zijn voornaamste taak het commentaar op de internationale politiek.

Nu was de internationale politieke situatie uitermate brisant en volgden de onheilspellende ontwikkelingen elkaar in adembenemend tempo op, zodat de journalistieke noviet alle zeilen moest bijzetten om de lezers van De Groene enigszins adequaat voor te lichten. Dat iemand hierbij inschattingsfouten maakt, die op basis van wijsheid achteraf gemakkelijk te ridiculiseren zijn, mag niet verbazen. Interessanter is de vraag wat de mogelijke oorzaken van dergelijke vergissingen waren.

Zijn «miskleun» van 2 september 1939 was niet de enige. Nog in De Groene van 6 april 1940 – als vermomde Duitse troepenschepen reeds op weg zijn naar Denemarken en Noorwegen en er volop geoefend wordt voor de aanval op Nederland, België en Frankrijk – schrijft De Jong: «Intusschen blijkt uit niets dat Berlijn aan de uitbreiding van de oorlog denkt.» Een pijnlijke vergissing, maar op basis waarvan trok hij deze conclusie?

Wie de vele artikelen leest die De Jong in de twee jaren voorafgaande aan de Duitse inval heeft geschreven, wordt getroffen door de serieuze wijze waarop hij op basis van veel feitenmateriaal de ontwikkelingen trachtte te analyseren. Niet alleen maakte hij gebruik van cijfers over de militaire sterkte van de diverse landen – die er eind 1939, begin 1940 op wezen dat de Duitse voorsprong steeds kleiner werd – maar vooral besteedde hij aandacht aan economische cijfers. Bij zijn analyse van de Britse buitenlandse politiek ging hij bijvoorbeeld uitgebreid in op de betekenis van het koloniale rijk van dat land en het relatief geringe economische belang van Europa voor het Verenigd Koninkrijk. Ook De Jongs beoordeling van Hitlers politiek, waarbij hij zorgvuldig afwoog welke grondstoffen en afzetgebieden voor Duitsland van belang waren, leek plausibel. Evenals veel andere politieke commentatoren had De Jong de neiging Hitler te beoordelen met behulp van criteria die ontleend waren aan de «normale», min of meer rationele internationale politiek, waarbij economische belangen doorgaans de doorslag gaven. Helaas was Hitler niet «normaal» en handelde hij vaak allesbehalve rationeel.

Keek De Jong dus naar de buitenlandse politiek door een bril waarvan de sterkte niet helemaal adequaat was, bij hem zaten er ook nog eens marxistisch gekleurde glazen in. Hierdoor had hij weinig oog voor andere dan economische motieven, en vertrouwde hij te veel op de conjunctuurtheorie van zijn leermeester Sam de Wolff. Hierdoor was zijn benadering te eenzijdig en zag hij, net als veel van zijn tijd genoten, niet in dat de agressie van Hitler diepere drijfveren had dan puur materieel gewin.

Maar na de oorlog werden De Jong niet alleen deze inschattingsfouten verweten. Toen in 1993 het eerste deel van zijn Herinneringen verscheen, beschuldigde Arie Kleijwegt hem er voor de VPRO-microfoon en in Het Parool van een verdediger van de «appeasement»-politiek van Chamberlain te zijn ge weest. De Jong zou dus hebben ingestemd met het beleid van Engeland en Frankrijk om toe te geven aan de agressieve politiek van Hitler, in de hoop dat deze op zeker moment genoegen zou nemen met hetgeen hij had bereikt. Een politiek die na de oorlog vrij algemeen werd veroordeeld als karakterloos, laf en ondeugdelijk.

Dit is echter een regelrechte leugen. Reeds voor de beruchte conferentie van München, waarbij Engeland en Frankrijk Tsjechoslowakije in de steek lieten, liet De Jong onomwonden blijken dat het volgens hem de verkeerde kant op ging. En nadat Chamberlain triomfantelijk had verklaard dat «peace in our time» verzekerd was, hekelde De Jong het «verraad» van de westerse democratieën en verklaarde hij dat men de gevolgen ervan «niet zwart genoeg kon zien». In het anderhalve jaar dat hierop volgde werd zijn kritiek op met name Chamberlain steeds scherper en zijn toon steeds somberder.

Uiteraard hoopte hij dat het oorlogsgevaar zou worden afgewend, maar dat wil niet zeggen dat hij de wijze waarop de westerse landen Hitler tegemoet traden heeft toegejuicht. Zijn artikelen in De Groene getuigden van grote bezorgdheid en van verantwoordelijkheids besef, het was duidelijk dat hij geen paniek wilde zaaien. Af en toe vergeet je dat ze door een jonge man zijn geschreven, zo gedragen en zo serieus zijn ze, zoveel gewicht lijkt er aan die regels te zijn meegegeven.

Op vrijdag 10 mei 1940 moest De Groene van die week naar de drukker, zodat de abonnees het blad zaterdag zouden kunnen lezen. Toen De Jong ’s ochtends werd gewekt door het gedreun van vliegtuigen en explosies in de verte realiseerde hij zich dat het weekblad niet in ongewijzigde vorm kon verschijnen. In het hoofdartikel had hij de vloer aangeveegd met Chamberlain, die nu ineens een bondgenoot was, en Jordaan had voor de cover een karikatuur van deze verafschuwde politicus getekend, gebaseerd op de reclame van een bekend whiskymerk en met als onderschrift: «Johnny Talker, still going wrong». In allerijl werd er een vaderlandslievende prent getekend en schreef De Jong een redactionele verklaring waarin werd opgeroepen trouw te blijven aan het democratisch ideaal: «Het is vierenzestig jaar lang het ideaal geweest van dit blad. Wij zullen het getrouw blijven tot de laatste ademtocht.»

Toen al spoedig bleek dat de nederlaag onafwendbaar was, vluchtte De Jong samen met zijn vrouw en duizenden anderen naar Engeland, waar hij al snel zou gaan werken voor Radio Oranje. Na de oorlog keerde hij niet terug als redacteur van De Groene, al schreef hij nog wel af en toe bijdragen voor het blad. Zijn laatste artikel dateert van 28 februari 1948 en was een felle veroordeling van de communistische machtsovername in Tsjechoslowakije.

Uit De Jongs politieke opstelling na 1945 werd duidelijk dat hij uit de oorlog zeker een aantal lessen had getrokken. Nooit mochten de democratieën meer een centimeter toe geven aan dictatoriale regimes, nooit mocht het gevaar van agressieve ideologieën meer onderschat worden. Begin 1948 was hij, blijkens een nota die hij als directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie aan minister-president Beel schreef, ervan overtuigd «dat de Derde Wereldoorlog binnen relatief korte tijd een feit zal zijn». Daarom deed hij tal van aanbevelingen, zoals het treffen van voorbereidingen om bij een eventuele Russische inval onmiddellijk alle bevolkings registers te vernietigen en plannen te maken voor de evacuatie van de regering en het koninklijk huis. Opmerkelijk is dat hij van mening was dat de met haar gezondheid kwakkelende koningin Wilhelmina beter thuis kon blijven. Ook diende te worden voorkomen dat «degenen die <…> er de middelen toe hebben» in een «panische vlucht» het land zouden verlaten. Veel gebeurde er niet met deze nota, omdat de Centrale Veiligheidsdienst de premier liet weten de historicus maar een paniekzaaier en bemoeial te vinden.

Duidelijk is in ieder geval dat voor De Jong en De Groene de wegen zich hadden gescheiden. De Jongs positie in de ontbrande Koude Oorlog was helder, terwijl De Groene officieel weigerde te kiezen tussen «Oost» en «West», maar in werkelijkheid minder kritisch ten opzichte van Stalin was dan ten opzichte van de kapitalistische democratieën. Maar bovendien was de journalistiek voor De Jong inmiddels niet meer dan een nevenactiviteit en was hij begonnen aan een carrière die hem omstreden én beroemd zou maken. Over de betekenis van zijn werk, en de eventuele vergankelijkheid ervan, is de afgelopen week veel geschreven. Dat de wetenschappelijke waarde van zijn magnum opus steeds minder zal worden, lijkt evident, maar dat geldt natuurlijk voor alle grote historische werken. Wie nu iets wil weten over het begin van de Opstand tegen Spanje raadpleegt ook niet als eerste de Historiën van P.C. Hooft, maar dat maakt dat werk als literair monument niet minder waardevol. Bezien vanuit dit perspectief is het eigenlijk een schande dat de meeslepend schrijvende De Jong nooit een belangrijke literaire prijs heeft ontvangen. Churchill kreeg voor zijn geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog de Nobelprijs voor Literatuur. Dat was wellicht wat overdreven, maar De Jong had toch minstens de P.C. Hooftprijs verdiend.